Hoe discipline 5 voorbereiden op spontane burgerhulp

Eindwerk in het kader van het postgraduaat rampenmanagement

Auteur: Yves Stevens

De samenvatting vooraan in het werk opent m.i. met de essentie van het eindwerk:

“Tijdens noodsituaties stelt men vast dat de solidariteit onder de mensen toeneemt. Burgers bieden spontaan hulp aan de getroffenen en zijn bereid om de overheid te ondersteunen in het beheren van de noodsituatie. In de meeste gevallen wordt deze hulp positief geëvalueerd door de hulpdiensten.

Opmerkelijk is echter dat de overheid zich niet of amper voorbereid op deze spontane burgerhulp.”

In zijn eindwerk onderzoekt de auteur de volgende probleemstelling:

“Hoe kan discipline 5 zich voorbereiden en organiseren tijdens een acute fase om de burgerhulpverlening tijdens noodsituaties zo efficiënt mogelijk aan te wenden in het beheren van de noodsituatie?”

Daartoe werkt hij met twee methoden: literatuurstudie en interviews.

Uit het werk zijn me volgende zaken bijgebleven:

  • De literatuur probeert komaf te maken met drie mythen:
    • Burgers raken in paniek.
    • Burgers zijn apathisch, hulpeloos en afhankelijk.
    • Tijdens een ramp wordt er geplunderd.
  • Mensen helpen mensen spontaan
  • Burgerhulp is essentieel in het “golden hour” voor de overlevingskansen van getroffenen.
  • Tijdens een noodsituatie ontstaat er een consensus bij burgerhulpverleners die prioriteiten bepaalt. Er ontstaan tevens spontaan ‘leiders’.
  • Het ontbreekt de burgers meestal aan gespecialiseerde kennis en materiaal.
  • De timing in de noodsituatie bepaalt in grote mate de handelingen van burgers: bij aanvang levensreddende handelingen, later op de ramp vooral opvang van slachtoffers en primaire levensbehoeften.
  • Burgerhulp is tevens een vorm van psychologisch verwerkingsproces voor de algemene bevolking.
  • Zelfredzaamheid en burgerhulp zijn sterk afhankelijk van geografische aspecten.
  • Burgers overschatten wellicht het eigen kunnen.
  • Een nadeel van burgerhulp is het gebrek aan coördinatie.
  • Burgers zijn niet opgeleid of voorbereid op rampen.
  • Het juridisch vraagstuk tussen burgers en overheid is onopgelost.
  • Burgers kunnen eenvoudige taken overnemen van de hulpdiensten.
  • Burgers hebben vaak een betere terreinkennis.
  • Verslaggeving van de media over burgerhulp is gekleurd door de drie mythen.
  • De ANIP’s (Algemene Nood en InterventiePlannen) van de Belgische provincies hebben geen ruimte voor burgerhulp.
  • Het PIP (Politionele InterventiePlan) en het MIP (Medisch InterventiePlan) houden beperkt rekening met spontane burgerhulp.
  • Burgers engageren zich bijna niet voor oefeningen.
  • De overheid kan zich de vele onzekere factoren van burgerhulp niet veroorloven.
  • Sociale media zijn voor burgerhulp zeer belangrijk.

In hoofdstuk VIII bespreekt de auteur de interviews, waarbij hij volgende hypothesen bespreekt:

  1. Onze noodplannen houden geen rekening met burgerhulp.
  2. De voordelen van burgerhulp wegen niet op tegen de nadelen.
  3. De overheid gaat uit van de militaire doctrine “chaos – command – control”.
  4. De toegenomen juridisering verhindert de overheid om burgerhulp op te nemen in de noodplanning.
  5. Burgerhulp kan je sturen door communicatie.

Een van de vruchten van het eindwerk wordt geleverd in hoofdstuk IX waar de auteur het werkproces Crisiscommunicatie bespreekt (WPCC). Daarbij duidt hij de burgerhulpverleners als een van de doelgroepen van discipline 5 en haar rollen. Ook de rol van de Burgemeester, Gouverneur of Minister komt daarbij aan bod.

Boosting Resilience through Innovative Risk Governance

OECD, Rolf Alter

Hoofdstuk 1 bespreekt de rationale voor het verhogen van resilience tegen toekomstige rampen ondanks de financiële beperkingen vanwege de economische crisissen in OECD-landen de laatste jaren. Het toont aan dat niet alleen de frekwentie maar vooral de mogelijke schade van rampen de laatste jaren gestaag toeneemt. Daarbij treden vele variaties op sociale en economische factoren op de voorgrond die deze trend voeden.

Zelfs als de resources beperkt zijn, zijn investeringen in resilience nodig omdat rampen een onvoorzienbare schuldenlast kunnen veroorzaken, alsook zeer grote problemen kunnen geven aan de overheid, de bedrijfswereld en de huishoudens. Het hoofdstuk geeft ook aan dat een hoge onzekerheid het maken van een goed beleid ondermijnt. Dit omdat de ‘opbrengst’ er van niet direct zichtbaar is voor de overheid, en vaak slechts indirect nuttig is voor de bedrijven en de burgers.

In hoofdstuk 2 evalueert het rapport de resilience van OECD landen alsook het success van maatregelen voor het verhogen ervan. OECD landen zijn relatief resilient tegen grote gebeurtenissen, vergeleken met andere landen. Veel hiervan is te danken aan de vooruitgang op economisch en institutioneel vlak. Er is echter ruimte voor verbetering. Een aantal institutionele tekortkomingen verhinderen een volle aanvaarding van de investeringen in resilience bij publieke en private belanghebbenden. De strategische oorzaken van dit falen kan uitgelegd worden als een slecht afstellen van de drijfveren van actors, dat heeft geleid tot gefaalde acties. Het hoofdstuk stelt om deze tekortkomingen aan te pakken, een raamwerk voor.

Hoofdstuk 3 wil de nadruk leggen op een aantal maatregelen die overheden kunnen nemen om hun eigen resilience te verhogen alsook die van private en niet-gouvernementele belanghebbenden.

In een eerste stap toont dit hoofdstuk aan dat non-actie geen optie is, en zelfs zeer duur kan uitdraaien. Hetzelfde geldt wanneer een overheid overwegend reactief te werk gaat. Een reactieve benadering leidt trouwens vaak tot de verkeerde investeringen en daarmee tot een hogere kost voor de maatschappij. Het hoofdstuk geeft als advies mee om pro-actief te zijn en kosten efficiënt te werk te gaan. Het toont daarbij tevens het belang aan van vertrouwen in de overheid.

Veel overheden hebben in het kader van vertrouwensverlies door de economische crisissen in het verleden zeer dure maatregelen moeten nemen.

Eerder dan dat het vertrouwen moet doen verliezen, zouden crisissen een opportuniteit moeten worden voor overheden die commitment tonen op lange termijn en die een prospectief beleid aantonen. Ook transparantie in het vormgeven van het beleid leidt tot vertrouwen. Om de transparantie en aansprakelijkheid te verhogen is participatie van de burger in het beslissingsproces van maatregelen om de resilience te verhogen wellicht een mogelijkheid. Tenslotte is het van belang om actief belangenconflicten tussen alle partijen te managen.

Enkele adviezen van de auteur zijn:

  • Verzeker het eigenaarschap van risico’s.
  • Het afstellen op elkaar van de drijfveren van actors.
  • Versterk de rol van beloningen.
  • Faciliteer de actie van private sector.
  • Moedig samenwerken aan tussen alle actors.
  • Verhoog het verzamelen en delen van risico-informatie en maak gebruik van de voordelen van ‘Big Data’.
  • Mobiliseer alle belanghebbenden: overheidsdiensten, private sector, en de burgers. Awareness is daarbij van belang.

Beslissen in een VUCA Wereld

Auteurs: Isabelle Hoebrechts en Ann Caroline Roymans

VUCA staat voor Volatile, Uncertain, Complex, Ambiguous. De auteurs stellen voorop dat de wereld VUCA is en steeds sneller verandert.  Dit is het Risicomanagement-aspect. In die VUCA wereld gebeuren er soms plots dingen waarbij je een beslissing moet nemen en de daad bij het woord moet voegen. Dat is een crisismanagement aspect.

In een eerste deel leggen ze de lezer uit wat de vier hoofdpersonages zijn in je brein: de Holeman, de Mier, de Uil en de Benjamin. Alle vier heb je ze nodig.

De Holeman staat ook gekend als het krokodillenbrein en doet je instinctief kiezen voor vechten, vluchten of bevriezen. Hij neemt het automatisch over wanneer je in een levensbedreigende situatie zit.

De Mier zorgt er voor dat je in een groep automatisch goed zit qua volgorde: het beslist of je dominant bent of volgzaam, en wantrouwend of vertrouwend.

De Uil is een probleemoplosser voor gekende problemen: het stoelt zich op positieve ervaringen.  Als je het probleem al eens eerder hebt opgelost, kent de Uil het.

De Benjamin is de jongste van de vier: het is ook gekend als de prefrontale cortex, en is zeer geschikt om originele, nieuwe problemen op te lossen, door het van alle kanten te bekijken. Hem noemen de auteurs soms ook je blauwe kapitaal.

Voor crisismanagement is het dus van belang dat elk teamlid van het crisismanagementteam zich bewust is van zijn vier hoofdpersonages en daar adequaat mee kan omgaan.

Daarnaast beschrijven de auteurs het fenomeen stress als het ontwaken van je interne Boeddha, waar je best naar luistert.

In het tweede deel van het boek introduceren de auteurs je twee persoonlijkheden: je aangeboren persoonlijkheid en je aangeleerde persoonlijkheid.

Met deze ingrediënten verklaren de auteurs je beslissingwereld. Hoe je beslissingen neemt, en adviseren hoe je beslissingen beter en stabiel kunt nemen . Daartoe kun je o.a. de overgang maken van “Dat is zo !” naar “Is dat zo?”

Het boek bevat tevens enkele kleine oefeningen om je beslissingswijze te helpen bijsturen. Oefening baart daarbij kunst.

Moet ik nu bang zijn?

Kinderen helpen in tijden van angst en terreur

Auteurs: Lies Scaut en Erik de Soir

In een vlot leesbaar boekje brengen de auteurs kernachtig een aantal zaken samen voor leerkrachten, ouders en hulpverleners om hen beter te wapenen bij de vragen van hun kinderen over terreur en de bijhorende angsten.

Want zelfs volwassenen hebben het moeilijk om terreurdaden te begrijpen en te plaatsen. Hoe kun je dan toch je kind daarbij helpen, die uiteindelijk de grootste schat en de toekomst van de mensheid zijn?

In een eerste hoofdstuk staan de auteurs stil bij het feit dat baby’s geen kleuters zijn, die geen basisschoolkinderen zijn, die ook weer anders zijn dan adolescenten. Afhankelijk van de leeftijd en de persoonlijke ontwikkeling kunnen ze elk andere informatie aan. Ze gebuiken hier de stadia van de intellectuele ontwikkeling van de Zwitserse psycholoog Jean Piaget.

Hoofdstuk twee gaat over veel voorkomende problemen en gedragingen van kinderen en hoe je als volwassene daarmee om kunt gaan.

Hoofdstuk drie geeft een aantal antwoord-richtlijnen bij een groot aantal vragen die (jongere) kinderen kunnen stellen, die eigenlijk zeer fundamenteel zijn en niet gemakkelijk goed te beantwoorden zijn. Daarbij is het zeer belangrijk om de eigen emoties te beheersen en met hen het gesprek aan te gaan.

Hoofdstuk vier schetst de risico’s die de kinderen kunnen lopen bij confrontatie met terreur, direct of indirect. Het begrip “trauma” wordt daartoe zeer scherp gedefinieerd.

Hoofdstuk vijf heeft het over hoe je creatief met de kinderen kunt communiceren over het gebeurde. Belangrijk daarbij is dat het kind de leiding heeft over zijn eigen gedachten.

Hoofdstuk zes geeft een meetmethode met meerdere aspecten, waarbij de beleving van een kind of groepen van kinderen kunnen in kaart gebracht worden.

Een van de take away messages van dit boek is dat vriendschap en liefde altijd sterker zijn dan haat.

De auteurs waarschuwen er in het boek ook voor dat hoewel het boek wel inzicht kan geven, het nooit mag gebruikt worden als vervanging van professionele begeleiding.

Explorations in Monte Carlo Methods

Undergraduate texts in mathematics.

Auteurs: Ronald W. Shonkwiler en Franklin Mendivil.

De Monte Carlo methode is een techniek voor het analyseren van fenomenen d.m.v. computeralgoritmen die gebruik maken van random getallen. Deze methode heeft haar bestaan eigenlijk in grote mate te danken aan het bestaan van computers.

In dit boek geven de auteurs een inleiding. Het is een boek van voorbeelden, dit bij elke stap die gemaakt wordt in de theorie. In hun boek maken ze gebruik van het product Matlab om programmavoorbeelden uit te werken, hoewel andere programmeertalen (C, C++, Pascal, Delphi) best even geschikt of geschikter kunnen genoemd worden. Die aanpak met programmavoorbeelden maakt het voor exacte wetenschappers erg tastbaar.

Monte Carlo technieken zijn bruikbaar in zeer uiteenlopende domeinen: van schattingen van het getal Pi, over berekeningen van mutaties in cellen, tot het lopen van financiële risico’s bij het spelen in casino’s of de evolutie van de markt.

Dit boek is een zeer algemeen boek voor de inleiding tot Monte Carlo, in die zin dat het geen voordeel geeft aan een bepaald type onderwerp. Hoewel het een zeer goed boek is om een algemeen idee te hebben van hoe Monte Carlo kan gebruikt worden in allerlei vakgebieden, is het dus geen boek waar je als risicomanager onmiddellijk voordeel bij haalt. Het toepassen van Monte Carlo bij machinebreuk, of bij financiële beslissingen op hoog niveau komt dus niet aan bod. Daar is meer gespecialiseerde literatuur voor nodig.

Maar als didactisch inleidend wiskundig werk om juist te weten waar Monte Carlo technieken toe in staat zijn is het wél een aanrader. Als je door dit boekwerk doorbijt, ben je nog steeds meer leek dan specialist, dat wel, maar je bent geen absolute beginner meer. Je krijgt een idee van het belang van de centrale limiet theorema, en van de Markov ketens, en nog een hele hoop andere zaken.

Voor managers die té lang niet meer genoten hebben van wiskunde heb ik volgend advies: probeer het, uw experten zullen het misschien zelfs appreciëren. Maar indien u verloren loopt: geen nood, er bestaan nog wiskundigen die met plezier uw zaak behartigen.