Tribal Leadership – Leveraging Natural Groups to Build a Thriving Organization

Auteurs: Dave Logan; John King; Halee Fischer-Wright

De auteurs geven aan dat je in je organisatie tribes (stammen) kan herkennen, en wat voor cultuurniveau die stammen hebben. Dit laatste herken je op basis van taalgebruik door de leden van de stam.

Maar eerst moet je weten wat een stam is. Een stam is elke groep van 20 tot 150 mensen die elkaar genoeg kennen om op straat even te stoppen en een praatje te maken. Veelal komen ze overeen met de mensen in je e-mail adresboek en je smartphone. Vaak is een klein bedrijf een stam, vaak is een groot bedrijf een stam van stammen. Een kleine stam (20 mensen) heeft vaak maar een cultuur, een (middel)grote stam (50 tot 150 mensen) kan meerdere cultuurniveaus tegelijk hebben.

“Tribal leadership” is leiderschap dat zich focust op taal en gedrag binnen een cultuur. Het zoekt niet naar het aanscherpen van cognities, geloof, houding, of andere factoren die we alleen indirect kunnen onderstellen. Het focust wel op taalgebruik, gedrag en relatiestructuren. Om een start te maken met dit leiderschap moet de leider starten met het oefenen van twee zaken:

  1. De stammen vertellen hem hun cultuurniveau door hun taalgebruik.
  2. De stammen “upgraden” naar een “hoger” cultuurniveau.

Uit het onderzoek van de auteurs blijkt dat het gebruik van de volgende woordenschat typerend is voor de cultuurniveau’s:

Stage Mentaliteit Woordgebruik – voorbeelden
1 Life sucks – clusters van ‘gangs’ – vervreemding Het leven, sucks, is klote, onderbreken, kan niet, stop, whatever
2 My life sucks – clusters van apathische slachtoffers – afgescheiden Baas, leven, proberen, kan niet, opgeven, quitten, sucks, is klote
3 I’m great – “lone warrior”, cultuur van het “wild, wild west” Ik, mij, mijn, job, beroep, doen, deed, heb, ging
4 We’re great – uitstralen van fierheid van de stam als partnerschap Wij, ons, team, doen, zij, hebben, deed het, committen, waarde
5 Life is great – onschuldige verwondering in team Wow !, mirakel, gelukkig, visie, waarden, wij.

 

Daarbij reiken ze tevens een aantal handvaten aan waarmee je van een groep van een lager cultuurniveau kan opwaarderen naar een hoger cultuurniveau. De succesfactoren waar je daarbij moet naar uitkijken zijn de woorden die de stam daarbij gaat gebruiken tijdens hun evolutie naar een hoger niveau. Daarbij moet de leider terug twee zaken in het achterhoofd houden:

  1. De stam moet stelselmatig niveau per niveau stijgen, het kan er geen overslaan.
  2. De stam moet een tijdje het niveau zich eigen maken.

Hefbomen van niveau 1 naar 2:

  • De persoon moet het zelf inzien en willen. De actie opzoeken: gaan eten met de collega’s, naar meetings gaan, sociale functies opnemen…
  • Moedig een breuk met anderen met een “life sucks”-mentaliteit aan

Van niveau 2 naar 3:

  • Moedig aan om vrienden te maken in dyadische (twee-persoon) relaties.
  • Moedig vriendschap aan met mensen in laat-stage 3.
  • Toon haar dat haar werk een verschil maakt.
  • Toon binnen haar competenties wat haar sterktes zijn.
  • Toon haar groeipotentieel aan dat ze nog te verwerven heeft, maar hou het met een positieve toon.
  • Geef haar projecten die ze goed kan in een korte tijd. Volg het niet te strak op.

Van niveau 3 naar 4:

  • Moedig aan om triades te vormen (drie-persoon relaties).
  • Laat haar hen de kernwaarden leren kennen, overeenkomstige interesses ontdekken, en opportuniteiten vinden waar ze elkaar kunnen aanvullen op werkvlak.
  • Moedig aan om projecten op te nemen die ze niet alleen aankan. Dus werken met partners.
  • Toon aan dat het succes uit eigen werk voortkomt, maar dat de volgende stap iets is dat een andere stijl vereist: samenwerken.
  • Beschrijf rolmodellen die hun focus hebben op “wij”, triades en groepssuccessen
  • Vertel over de eigen stap van niveau 3 naar 4
  • Leer haar dat echte macht niet kennis is maar netwerken. Maak duidelijk dat je aan haar kant staat.
  • Moedig transparantie aan. Moedig aan om wat meer te vertellen dan het strikt noodzakelijke.

Van niveau 4 naar 5:

  • Verzeker dat haar triades gebaseerd zijn op waarden, voordelen en opportuniteiten.
  • Moedig gebruik van marktcondities aan om geschiedenis te schrijven.
  • Indien de markt niets aanreikt, creëer dan een opportuniteit.
  • Rekruteer anderen naar de stam die de waarden van de strategie van de groep delen.
  • Als het team op moeilijkheden stuit, duidt dan ook anderen aan voor oplossingen. Probeer niet alles zelf op te lossen (niveau 3).
  • “Vervang regelmatig de olie” met volgende vragen: 1) wat gaat goed, 2) wat gaat niet goed) en 3) wat kan het team daaraan doen?

Stamleiders doen hun werk voor het goed van de anderen, niet voor hunzelf, en ze worden beloond met trouwe medewerkers, hard werk, innovatie en samenwerking. De stam kan moeilijkere opdrachten af in kortere tijd met een hogere kwaliteit van afwerking.

The Psychology of Cyber Crime – Concepts and Principles

Auteurs: Grainne Kirwan; Andrew Power

De auteurs hebben zich het doel voorgenomen om een aantal ideeën over de psychologie van cyber crime te bundelen. Dat is echter niet eenvoudig, vooral ook omdat het niet zo simpel is om cyber crime te definiëren als een overkoepelend containerbegrip. Dat proberen ze in het eerste hoofdstuk van sectie 1 (Introductie): “Creating the Ground Rules: How can Cybercrime be Defined and Governed?” Het begrip gaat over een brede waaier van diefstallen, privé kwesties zoals disputen tussen kopers en verkopers, en kwesties van anti-sociaal gedrag allerhande. De definitie waarmee ze werken wordt “any activity occuring online which has intended negative consequences for others”

Een eerste categorie daarin zijn misdaden die reeds offline bestaan, maar nu gefaciliteerd worden door het internet. Voorbeelden zijn fraude met bankkaarten, diefstal van informatie, blackmail, obsceniteiten, witwassen van geld,… Een tweede categorie zijn nieuwe misdaden, die niet bestonden voor het werken met computers in een netwerk. Voorbeelden zijn hacking, denial of service, verspreiden van malware, …

Een derde categorie komt in het vizier wanneer computergebruikers gaan gebruik maken van online Avatars. Dit kan bijvoorbeeld zorgen voor harassing van iemand online, dat daarna verder zet offline.

Reactie tegen cybercrime kan vanuit de overheid via wetten, vanuit een respons van bedrijven met o.a. een praktische gedragscode, een technische respons of een gebruikers respons.

Doordat het internet groeit qua aantal gebruikers en het aantal uren per gebruiker, kunnen we spreken van een begrip als ‘cybercitizen’. Dat betekent dat er nood is aan een framework van wetten, regels en richtlijnen om orde te houden online.

Een volgende vraag is “Can Forensic Psychology Contribute to Solving the Problem of Cybercrime?”. Dit bepaalt het vraagstuk in Hoofdstuk 2.

Forensische psychologie als begrip is goed gekend bij het brede publiek door televisie series. Maar die leveren een vertekend beeld. De eerste vraag is dus “Wat is Forensische Psychologie ?”. In dit werk wordt gekozen voor de brede definitie die stelt dat “forensic psychology is a combination of legal psychology covering the application of psychological knowledge and methods to the process of law and criminological psychology dealing with the application of psychological theory and method to the understanding (and reduction) of criminal behavior”. Tevens nemen de auteurs aan dat “it will be considered to include any way by which psychology can be of assistance at any stage in the criminal justice process.”

Taken waarbij de forensische psychologie betrokken wordt zijn het assessen van overtreders m.b.t. psychologische disorders, de bestraffing, rehabilitatie en de bijhorende risico assessment. Daarbij horen ook het interviewen van verdachten en het analyseren van ooggetuigenverslagen. En uiteindelijk ook het profilen van overtreders bij criminele onderzoeken.

Hoofdstuk 3 gaat verder met de vraag “Can Theories of Crime be Applied to Cybercriminal Acts ?”.

Theoretische uitleg van misdaden kunnen immers de maatschappij helpen te begrijpen hoe en waarom de misdaad bebeurt. Maar ze helpt ook met het voorspellen van toekomstig crimineel gedrag. Daarnaast biedt het inzicht een basis voor succesvolle rehabilitatie strategieën, alsook preventieve strategieën. Er bestaan verschillende types van theorieën:

  • Maatschappelijke theorieën (die misdaad op een maatschappelijk vlak beziet eerder dan individueel),
  • Community theorie die stelt dat de misdaad soms niet random gebeurt in de maatschappij,
  • Socialisation Influence Theories, die stellen dat psychologie belangrijk is omdat er bijvoorbeeld observational learning aan te pas komt,
  • Individual Theories, die stellen dat bepaalde karaktertrekken van de persoon de kans bepalen dat hij of zij een crimineel wordt, en welk soort crimineel.

Dergelijke theorieën kunnen dan (misschien) van toepassing gemaakt worden op cybercrime. Belangrijk daarbij zijn:

  • Social Construction of Crime: sommige zaken zijn al misdadig offline, andere zaken zaten offline in een grijze zone, maar zijn sociaal niet aanvaard,
  • Biological Theories of Crime: Een vergelijking wordt gemaakt met de oude “wetenschap” van cranologie. Er is enig bewijs dat het merendeel van de cybercriminelen mannen zijn, maar er is erg weinig informatie over hoe biologische theorieën cybercrime verklaren. Het is dus enigszins opgemerkt, maar we weten niet waarom het zo zou zijn,
  • Learning Theories: een kandidaat cybercrimineel kan afgeschrikt zijn door de angst voor bestraffing, of door schuldgevoel wanneer hij / zij de gevolgen ziet voor het slachtoffer. Of hij / zij kan wél zich ertoe brengen om de misdaad online te plegen, maar niet om het offline te plegen, zoals bijv. cyberpesten.
  • Eysenck’s Theory of crime: hij paste conditioning learning theory toe op op misdaad, en kwam tot het idee dat mensen met meer extraversie, neurotisisme, en psychoses meer kans maken op crimineel gedrag. Deze theorie wordt sterk tegengesproken door zijn collega’s.
  • Psychoanalytische theorieën lijken geen vruchtbare bodem voor verklaringen van crimineel gedrag.
  • Addiction and Arousal Theory: daar is opgemerkt dat behandeling van de verslaving vaak lijdt tot vermindering / ophouden van crimineel gedrag. Ook zijn er getuigenissen van cybercriminelen dat “they get a thrill” van het plegen van de misdaad.
  • Neutralisatie theorie: misdadigers redeneren met verschillende types van argumentatie hun schuldgevoelens weg. Hiervoor is ook enig bewijsmateriaal bij cybercriminelen.
  • Bij cybercrime zijn geografische theorieën ook belangrijk: verschillende landen of groepen van landen hebben andere wetten, andere definities van bepaalde types van misdaden. Maar ook het gemak om aan de middelen te geraken om de misdaad te plegen spelen een rol. Bijv. het beschikken over een computer, servers, netwerk, internet.

Sectie 2 gaat in op Internet-specifieke misdaden.

Sectie 3 gaat in op online variaties van offline misdaden

Van deze twee secties vat ik een aantal dingen samen in deze Excelsheet:

Sectie 4 heeft het over misdaden in virtuele werelden.

Dit gaat niet zozeer meer over zuivere misdaad over het internet, maar over misdaden tegen mensen, die o.a. zich voorstellen als avatars. Hoofdstuk 12 stelt zich daarbij de vraag “Crime in Virtual Worlds: Should Victims Feel Distressed ?” Daarbij gaat het over misdaad tav eigendommen, zoals diefstel van bezittingen, maar ook misdaden tegen personen, bijv. in de vorm van hun avatar, tot en met verkrachting, stalking, enz, die zich ook offline kunnen voortzetten. De vraag van politieoptreden en preventief handelen komen daarbij aan bod. Maar er blijken voor anekdotische gegevens te zijn, niet zozeer een grote massa aan empirische gegevens.

Tenslotte gaat Hoofdstuk 13 over “On-Line Governance”: wat is er nodig aan overheid online, wat is er nog meer nodig, hoe komen politieke strekkingen op het toneel, en hoe is “Second Life” daarbij belangrijk geweest in het verleden. Maar ook: is een “Virtual Government” een meerwaarde?”. Of moet de overheid wegblijven uit de Virtuele Wereld? Bijv. omdat het hopeloos is, of zelfs ongewenst?

Corona – Fasen Blauw – Geel – Oranje, hoe moeten we consequent zijn?

Auteur: Manu Steens

In fase blauw was er veel gesproken over individuele hygienemaatregelen. (Dit gaat over handen wassen en tegelijk 2x happy birthday zingen, geen handen geven maar een elleboogstoot of een Vulcan-groet, in je elleboog hoesten,…) Sinds fase oranje is de term ‘social distancing’ uitdrukkelijk geformuleerd. Daarmee werd de overstap van persoonlijke maatregelen (individuele hygiëne) naar collectieve verantwoordelijkheid (afstand bewaren) duidelijk gezet. Dit afstand nemen kan op meerdere manieren, zoals bijvoorbeeld telewerk, schuiven in de werkuren, of een stoel overslaan bij vergaderingen (en dus slechts de halve capaciteit van je vergaderzaal gebruiken).

Het idee daarachter is telkens dat van de Gauss-curve. Als er een hoge piek is in de besmettingen, komen er problemen met de capaciteit van gezondheidszorg. Er zijn dan immers snel teveel zieken ten aanzien van het aantal ziekenhuisbedden, ten aanzien van de beschikbare apparatuur en ten aanzien van het aantal zorgverstrekkers, de handen die je in leven houden op dat ziekbed. Er zijn echter maatregelen om dergelijke pieken op te vangen: de persoonlijke en de collectieve maatregelen, waarvan sprake hierboven en veel meer. Je weet echter pas wanneer de piek bereikt is, als die voorbij is (en het aantal besmettingen daalt).  Het idee is dus om de piek af te platten om te voorkomen dat de ziekenhuizen in de problemen komen. Dat is momenteel het doel van elke maatregel. Elke maatregel helpt als ze wordt toegepast.

Hoe ernstig is de ziekte eigenlijk? Een groot percentage van de besmette mensen is gewoon thuis aan het uitzieken. Ze liggen in bed met een kop thee, lezen een boek en kijken netflix. Een kleiner percentage van fragiele mensen moeten echter geholpen worden in het ziekenhuis. De meeste kritieken hadden al een aantal medische problemen voor ze besmet werden met het coronavirus. (Ter vergelijking: griep zorgt voor zo’n 500-1000 doden per jaar in België.) Waarop grijpen de maatregelen van “social distancing” nu in?

Zeven gekende basisfactoren die een impact hebben op het verspreiden van het virus zijn:

  1. Waar veel mensen samenkomen, kan het virus makkelijk verspreid worden. Dus: vermijd plekken waar veel volk is.
  2. Intensiteit van contact: een intense knuffel is meer besmettelijk dan Vulcan groet, zeker als je daarbij een afstand van 2 meter bewaart.
  3. Duur van het contact: ga je enkele uren een kaartje leggen onder vrienden, of een hele avond partyen op kot met veel vrienden? Dat is erger dan even een ei gaan lenen bij de buren.
  4. De plaats waar je bent: slecht geventileerde ruimten stapelen gemakkelijker het virus op dan een goed verlucht appartement.
  5. De leeftijdsmix van mensen: school vol jongeren is minder erg dan de kleinkinderen op bezoek in het rusthuis, zeker als het er druk wordt.
  6. Het draagvlak voor maatregelen: de overheid moet het kunnen uitleggen. Inspraak zonder inzicht leidt immers tot uitspraak zonder uitzicht.
  7. De ‘uitstelbaarheid’ van een activiteit: kan je het uitstellen tot na de epidemie/pandemie? Dan kan je er niet meer besmet geraken.

Deze zeven principes volgen, door de fasen heen, brengt ons heel ver. Als we daar uitermate consequent in zijn tenminste, en iedereen mee nadenkt hoe het beter kan.

Coronavirus – wat te doen – Fase Geel

Diclaimer: Dit bericht geeft uitdrukking aan mijn eigen mening. Het is geen standpunt van een organisatie.

 

Wat kun je op dit moment doen om een mogelijke besmetting met het coronavirus COVID-19 of andere druppelvirussen te voorkomen?

Om de pandemie-aanpak behapbaar te maken beschrijven we deze in fasen volgens de DORSCON alarmniveau’s (Disease Outbreak ReSponse CONdition). Dit zijn NIET de fasen van het WHO. Zie voor meer informatie over de fase geel ook het voorgesteld pandemieplan op  http://www.emannuel.eu/uncategorized/pandemieplan/

Toegepast op Vlaanderen kunnen we stellen dat we kunnen spreken van:

  • Milde ziekte die zich verspreidt in Vlaanderen, OF een ernstige ziekte die zich verspreidt in het buitenland, maar nog niet in Vlaanderen.
  • De impact op de ziekenhuizen en volksgezondheid is laag tot gematigd.
  • Een verstoring van het dagelijkse leven van het personeel is klein.

1: Beter voorkomen dan genezen

  • Was je handen regelmatig met water en zeep.
  • Wat als je symptomen hebt van een verkoudheid of griep?
    • Hoest of nies in een papieren zakdoekje en gooi dit onmiddellijk in de vuilnisbak.
    • Heb je geen zakdoek, hoest of nies dan in de binnenkant van je elleboog.
    • Blijf thuis als je ziek bent. Bespreek bij milde klachten met je verantwoordelijke of je (meer) kan telewerken.
    • Ga niet zitten in een wachtzaal, laat de arts liever tot bij u komen.
  • Vermijd nauw contact (op minder dan 1,5 meter) met personen die symptomen vertonen.
  • Raak je gezicht niet aan met je handen.
  • Mondmaskers zijn niet nodig voor gezonde mensen. Omdat het om een druppelvirus gaat, zal het een besmetting niet voorkomen wanneer een persoon met masker druppeltjes van een patiënt op de huid krijgt. Ze zijn wel nuttig om te dragen door patiënten. Daar filteren ze de adem. Wees dus verstandig en gebruik ze juist, namelijk enkel als je ziek bent. Door mondmaskers foutief te gebruiken als gezond persoon en door ze te hamsteren kunnen ze minder efficiënt en effectief ingezet worden dan bedoeld. Er treden dan tekorten op de markt op.
  • Voor meer informatie: vraag raad aan uw pandemiemanager.
  • In de rand: voedsel hamsteren is voor niets nodig. Besmettingen ga je er niet mee voorkomen, en de winkels gaan blijven voorraden hebben.

2: Wat met een reis in het buitenland

Zolang je geen symptomen hebt zoals koorts, spierpijn, hoest, neusloop, keelpijn en je hebt geen nauw contact gehad met een bewezen COVID-19 patiënt hoef je niets speciaal te doen. Er is in de EU geen beperking op reizen door personen die geen symptomen vertonen. Heb je geen symptomen, dan kan je gewoon gaan werken na je terugkomst. Krijg je ze nadien wel, ga dan naar huis en raadpleeg een arts.

In sommige (delen van) landen gelden beperkende maatregelen omwille van het coronavirus. Sommige gemeenten in sommige landen zijn reeds in quarantaine geplaatst. Het meest recente reisadvies kan geraadpleegd worden op de website van de FOD Buitenlandse Zaken. Het reizen naar gebieden die sterk door het coronavirus getroffen zijn, wordt afgeraden en wordt het best uitgesteld of geannuleerd.

Raak je niet terug op je werk, bijvoorbeeld omdat je tijdens je reis in quarantaine bent gezet in een getroffen regio? Breng je organisatie daarvan dan op de hoogte.

3: Telewerken: een optie?

Momenteel zijn er nog geen besmettingen in België. Meer gaan telewerken dan gebruikelijk is op dit moment dan ook niet nodig. Ook als er een of enkele patiënten zouden opduiken in België, blijft de kans op besmetting zo klein dat meer telewerken dan gebruikelijk niet nodig is. Maar de beslissing hier ligt bij het CMT (Crisis Management Team) van uw organisatie in samenwerking met de pandemiemanager. Het is vanaf dan immers ook geen code geel meer.

Voor specifieke adviezen kun je steeds terecht op de website over het coronavirus.

The Tipping Point – How Little Things Can Make a Big Difference

Auteur: Malcolm Gladwell

Het idee achter “The Tipping Point” is dat je moet kijken naar opwaartse trends als naar een epidemie. Ongeacht of het een soort schoenen zijn, een ziekte, of het roken bij kinderen, de misdaad inperken of problematisch druggebruik en het inperken daarvan, of een golf van zelfmoorden van tieners in een omgeving waar zelfmoord in die leeftijdsgroep oorspronkelijk niet voor kwam, of awareness voor veilig gedrag op het werk. Het centrale idee is dat ideeën, producten, berichten en gedrag zich verspreiden zoals ziekten dat doen: exponentieel of niet.

In hoofdstuk een gaat het over de drie regels van epidemieën.

Er is immers meer dan één manier om een epidemie te starten. Het is een functie van mensen die infecterende ‘agents’ overdragen, de ‘agent’ op zich en de omgeving waarin de ‘agent’ opereert. Wanneer een epidemie ‘tipt’ (start), als het de situatie uit evenwicht rukt, gebeurt dat omdat er iets gebeurde in minstens één van die drie gebieden. Deze drie ‘agents’ van verandering heten ‘The Law of the Few’, ‘The Stickiness Factor’, en ‘The Power of Context’.

Deze drie regels geven een idee om een begrip te krijgen van het verschijnsel ‘epidemie’. Het geeft ook richting aan hoe we een ‘tipping point’ kunnen bereiken. Sleutelelement daarbij is vaak dat “the devil is in the details”. En vaak werkt vanalles wel in de ene situatie en niet in een andere. Daardoor is zelfs testen soms geen overbodige luxe. Buikgevoel moet soms een stap opzij zetten.

Hoofdstuk twee gaat over “The Law of the Few”.

Daarin worden drie types van persoonlijkheden besproken: Verbinders (‘Connectors’), Mavens en Verkopers (‘Salesmen’). Deze mensen zijn essentieel voor zogenaamde sociale epidemieën maar worden vaak over het hoofd gezien voor de erkenning van hun belang in ons leven.

Connectors zijn doorgaans de (verbindende) centrale partij in een sociaal netwerk, als aan de top van een pyramide. Je vindt hen vaak door in je netwerk over mensen die je kent na te denken door de vraag steeds te herhalen: ‘… die ik ken via…’. Ze introduceren je vaak in hun netwerk, we maken vaker gebruik van dergelijke mensen dan we denken.

Maar Connectors zijn niet het enige soort mensen die belangrijk / nuttig zijn bij het opstarten van een sociale epidemie. Connectors zijn ‘specialisten in mensen’. We vetrouwen hen om ons (spontaan) in contact te brengen met andere mensen. Daarnaast bestaan er mensen waarop we vertrouwen om ons in contact te brengen met nieuwe informatie. Iemand die daarin voorziet is een ‘Maven’. Dat woord komt uit het Yiddish en betekent ‘iemand die kennis verzamelt / opstapelt’. Zij houden door hun kennis bijv. de marktreclame eerlijk. Een verkoper die ‘prijsverlaging’ uitstalt maar niet doorvoert wordt door hen betrapt. De meesten onder ons letten immers amper op de prijs. Maar zij kunnen op dat vlak de schrik zijn van een oneerlijke winkelier. Maar ze bestaan niet enkel op het vlak van marktprijzen. Ze kunnen net zo goed fouten opmerken in een professioneel vakblad van hun interesse. Of een vakspecialist corrigeren op zijn eigen domein.

Maar het zijn geen passieve verzamelaars van informatie. Eens dat ze hun zaak opgelost hebben, willen ze er ook over vertellen. Ze willen het gebruiken om anderen te helpen. Ze nemen je mee om op de beste plaatsen aankopen te doen bijv. of ze doen aankopen in uw plaats. Ze lossen doorgaans andere mensen hun probleem op door hun eigen probleem op te lossen. Maar het omgekeerde is ook waar: een Maven lost zijn eigen (emotionele) problemen op door die van een ander op te lossen.

Wat is het verschil tussen een maven en een connector? Een connector vertelt 10 vrienden over een goed restaurant en 5 proberen het. Een maven adviseert 5 mensen over hetzelfde restaurant en 5 proberen het. Een maven legt veel meer empathie in zijn verhaal waardoor verhoudingsgewijs zijn advies meer gevolgd wordt. Ze hebben beide een andere strategie, andere beweegredenen, maar beide, elk op zijn manier, kan een sociale epidemie op gang brengen.

Maar er is nog een derde sociale selecte groep van mensen: de salesmen. Zij verstaan de kunst om die mensen te overtuigen die nog niet overtuigd waren van de boodschap. Zij zijn even belangrijk in het tippen van een sociale epidemie als de maven en de connector. Wie zijn zij en wat maakt hen zo goed in wat ze doen?

Ze houden van hun klanten. In gesprekken stellen ze soms retorische vragen. Ze helpen graag mensen. Ze hebben energie en zijn enthousiast. Ze hebben charme en ‘likeability’. Ze zijn gelukkig en optimistisch.

Hoofdstuk drie gaat over ‘The Stickyness Factor’.

Eind de jaren 60 kwam een tv-producer, Joan Gantz Cooney, op t idee van sesamstraat. Dat werd een sociale epidemie waarbij het alfabet geleerd werd aan kinderen. Het doel was geletterdheid verspreiden als een virus bij kinderen uit benadeelde gezinnen. Gedurende 30 min en dat 5x per week.

De ‘law of the few’ zegt dat de aard van de boodschapper een kritieke factor is om een sociale epidemie te doen ‘tippen’. Maar ook het idee / product / bericht moet goed genoeg zijn. Is het ‘memorable’? zodanig dat het een verandering kan teweeg brengen? Succesvol zijn hangt dus ook af van de ‘stickiness’ factor. Dat klinkt alsof het rechtdoorzee (‘straightforward’) is. Als wij willen dat onze woorden indruk maken spreken we vaak met nadruk. We spreken ook luider dan. We herhalen onze beweringen. 6x herhalen voordat men het herinnert is het maxim van de marketing. Coca cola heeft daarvoor honderden miljoenen dollars voor. Sesamstraat heeft dat niet. Zijn er andere subtielere manieren om iets te laten beklijven?

Het moeilijke is niet het bereiken van de klant. Het moeilijke is hem te doen stoppen bij de boodschap, die te lezen, herinneren en er dan naar handelen. Om te zien wat (het beste) werkt, doen direct marketers extensief testen. Ze werken soms met een dozijn variaties op hetzelfde thema. Conventionele marketers hebben vooraf bepaalde vaste ideeën van wat hun reclame laat werken: humor, splashy graphics, bekendheden die het product aanraden. Direct marketers hebben die zekerheden niet. Zij zijn de échte studenten van stickiness. De meest intrigerende conclusies over hoe de klant te bereiken komen van hen.

Er is iets diep contra-intuïtief met de definitie van stickiness die uit de voorbeelden van het boek naar voor komt. We willen allemaal geloven dat de sleutel tot het maken van impact ligt in de inherente kwaliteit van de gepresenteerde ideeën. Niemand van de voorbeelden wijzigde de inhoud van wat ze zeiden. Ze tippten telkens het bericht door in de rand aan de presentatie ervan te knutselen. Aan de presentatie van hun ideeën. Een pauze na een vraag een seconde langer dan normaal, een muppet achter het te lezen woord, een grote sprekende ‘big bird’ naast een mens in de straat, een kleine ‘gold box’ in de hoek van een advertentie…

De les van stickiness is dat er een eenvoudige manier is om informatie te verpakken, die het onder de juiste omstandigheden onweerstaanbaar kunnen maken. Het enige dat je moet doen is het vinden.

Hoofdstuk vier gaat over ‘The Power of Context (Part One)’

Het grote voorbeeld in dit hoofdstuk is de opkomst en neergang van misdaad in New York.

Het bekijken van misdaad als een epidemie vergelijkbaar met het succes van sesamstraat is ietwat eigenaardig. Sommige epidemieën hebben niet meer nodig dan een product en een boodschap. Misdaad gaat echter niet over een situatie, maar een quasi oneindig gevarieerde en moeilijke set van gedragingen. Kwaadaardig gedrag is besmettelijk, zo bleek in het geval van New York.

Epidemieën zijn gevoelig aan condities en omstandigheden van de tijd en plaats waarin ze gebeuren. Zo is er bijv. meer misdaad in vuile en besmeurde metro’s dan in propere en verzorgde metro’s, zowel de voertuigen als de haltes. Misdaad gebeurt meer in de nacht, beschermd door het duister, dan overdag. Dit is relatief rechttoe rechtaan. De les van ‘the power of context’ is dat we meer dan enkel gevoelig zijn aan wijzigingen in de context. We zijn er buitengewoon gevoelig aan. En de aard van de contextuele wijzigingen die een epidemie kunnen laten tippen zijn zeer verschillend van wat we normaal verwachten.

  • Grafitti opkuisen van metrostellen en in metrostations. Potentiële slachtoffers zijn er door geïntimideerd en criminelen denken dat ze er minder kans door lopen om geïdentificeerd en gepakt te worden.
  • Vuilnis van de straten houden
  • Gebroken ramen vervangen (ook: broken windows theory: misdaad is het gevolg van wanorde (‘disorder’): een gebroken raam leidt tot anarchie: misdaad is besmettelijk dus.

De ‘broken windows theory’ en ‘the power of context’ zijn dezelfde theorie. Het stelt dat een misdadiger niet fundamenteel intrinsieke redenen heeft en ook niet leeft in een eigen wereldje. Het is iemand die acuut sensitief is aan zijn omgeving, alert is voor alle soorten aansporingen, en die overhaald wordt om misdrijven te plegen gebaseerd op zijn perceptie van de wereld.

Een groot succes ook: door controles op ‘petty crimes’ zoals de metro niet betalen (‘fare-beaters’) en daarop te reageren met politie-ingrijpen, boetes en tijdverlies in politie-stations, gingen ook andere misdrijven met grote percentages naar beneden, zoals moord e.d.m.. Dus is er wel degelijk gevoeligheid in een complex systeem. Gedrag is dus een functie van sociale context. In plaats van grote dingen op te lossen zoals het aanpakken van sociaal onrecht, structurele economische ongelijkheid, werkeloosheid, racisme, social neglect om misdaad te stoppen, zegt deze theorie dus eerder dat wat écht telt de kleine dingen zijn.

Mensen kunnen affectie tonen en emotie overdragen. Dit suggereert dat wat we denken dat interne toestanden zijn, voorkeuren en emoties, feitelijk krachtig en onmerkbaar beïnvloed wordt door schijnbaar onbelangrijke persoonlijke invloeden (‘law of the few’). Hetzelfde geldt voor onze voorkeuren, emoties en gedrag vanuit een omgeving i.p.v. vanuit een persoon.

Hoofdstuk vijf: ‘The Power of Context (Part Two)’: het magische getal 150.

Dit gaat over de rol die groepen spelen in sociale epidemieën.

Bijv. de grootte van de groep mensen in een filmzaal is mee bepalend voor hoe goed de film scoort in peilingen. Beslissingen en evaluaties in groep levert ook andere resultaten op dan individueel. Dit komt o.a. door peer pressure en sociale normen en een aantal andere soorten invloeden (zie eerdere hoofdstukken) (en grootte van de groep) die een rol kunnen spelen bij het opzwepen van het begin van een sociale epidemie. Zo kan een connector een persoon zijn met veel ‘ties’ (connecties) met groepen i.p.v. individuen. Zo iemand realiseert zich dat als je fundamentele wijzigingen wil brengen in gedrag en gedachten, dat zo een change van voorbeeldgedrag nood heeft aan een gemeenschap rond hen (de voorbeeldigen), waar hun gedrag en gedachten kunnen gedijen.

De les van ‘the ya-ya sisterhood’ (boek) en van (religieuze) connectors (John Wesley) is dat dergelijke kleine, hechte groepen de macht hebben om een epidemisch potentiaal van een boodschap, product of idee uit te vergroten. Een vraag daarbij is ‘wat is een groep’? En wat zijn de effectiefste soorten groepen om een epidemie op te starten? Is er daarbij een vuistregel? Daarop geeft ‘the rule of 150’ een antwoord. Het is een fascinerend voorbeeld van de eigenaardige en onverwachte manieren waarin de context mee de koers bepaalt van sociale epidemieën.

In kleine groepen zijn mensen veel hechter met elkaar betrokken. Dat is belangrijk om het gemeenschapsleven te laten lukken. Zowel voor het individu als voor de groep. Als je groep te groot wordt doe je te weinig samen. Dan heb je te weinig gemeenschappelijkheden en groei je uit elkaar. En dan wordt de groep minder hecht en valt hij uit elkaar. Er vormen zich dan meerdere clans binnen de groep.

In een bedrijf kan op die manier, als de groep te groot wordt, het voorkomen dat de sales de R&D niet kent, noch productie enz. het wordt dan moeilijker om de vraag van de klant (vlot) te beantwoorden. Er is geen benefit of unity: de mensen in een complex bedrijf hebben geen gemeenschappelijke relatie en geen gemeenschappelijke kennis / geheugen. In de psychologie heet dat een ‘transactive memory’. Veel van wat we weten en herinneren is opgeslagen buiten onze hersenen. Bijv. verjaardagen in een verjaardagskalender.

Door de juiste groepsgrootte is ook de peer pressure optimaal, waardoor aansprakelijkheid van eigen taken groter wordt, en de efficiëntie van de prestaties verhoogt.

Hoofdstuk zes: Case Study, “Rumors, sneakers, and the power of translation”.

Bij high tech producten zijn er vaak twee groepen naast elkaar in het word-of-mouth continuüm, die weinig met elkaar communiceren: de Innovators en de Early Adopters. Zij zijn visionair en willen revolutionaire verandering. Ze kopen nieuwe technologie nog voor het helemaal perfect is. Ze hebben kleine bedrijfjes, ze starten net en ze zijn bereid tot het nemen van enorme risico’s. Daarna volgt de Early Majority, dat grote bedrijven zijn vaak. Het doel van visionairen is een “quantum leap forward” te maken, die van de pragmaticy is om een percentage verbetering te maken.

Veel high tech faalt als de Early Adopters geen manier vinden om het te transformeren in een idee voor de Early Majority. Om het een betere Gestalt te geven, een betere, simpelere, meer significante configuratie. Dat is ‘translation’. Wat mavens, salesmen en connectors doen met een idee om het besmettelijk te maken is het zo veranderen dat vreemde details wegvallen en andere overdreven worden zodat het bericht een diepere betekenis krijgt. Het vertalen van het idee van innovators in iets dat anderen kunnen begrijpen.

Hoofdstuk zeven: Case Study, “Suicide, smoking, and the search for the unsticky cigarette”.

Zelfmoord, zo blijkt, is besmettelijk. Het is niet rationeel en zelfs niet noodzakelijk bewust. Het lijkt geen overtuigend argument dat iemand voor jou het deed. Het is subtieler dan dat. Meer zoals het oversteken van voetgangers bij een rood licht. Iemand nam de lead. Als een soort imitatie. Je krijgt als het ware toestemming van degene die het voorbeeld gaf. Het kan bewust zijn of niet. Zelfmoord van een beroemdheid heeft hetzelfde effect. Die geeft bij hoge publicatie via de media de toestemming om dat ook te doen. Dat kan zelfmoordepidemieën geven.

Mutatis mutandis : het rebels karakter van de jeugd, impulsiviteit, risicogedrag, onverschilligheid naar anderen en vroegrijpheid: de sigaretproblematiek. Dit lijkt eenvoudig, maar is complex en essentieel waarom de oorlog tegen roken bij de jeugd faalt: men wil af van een fout imago: men wil laten geloven dat roken niet cool is. Fout ! rokers zijn cool en worden geïmiteerd, zodat anti-rook campagnes falen.

Tevens is er een verschil tussen ‘contagiousness’ en ‘stickiness’. Contagiousness is een functie van de persoon als boodschapper. Stickiness is vooreerst een eigenschap van de boodschap, het product, zelf.

Een eerste manier om roken aan te vechten is de voorbeeldfuncties te voorkomen: de ‘cool kids’ die niet meer gaan roken. Een tweede mogelijkheid is dat de volgers niet meer naar de voorbeelden kijken, de cool kids, maar dat ze herdefiniëren wat cool is en hun voorbeelden zoeken bij volwassenen die niet roken. Maar ouders hebben vaak niet zo’n invloed op hun kinderen. Dus de tweede optie is een pak moeilijker.

Is het erg dat tieners experimenteren met sigaretten? Omdat de cool kids het doen enz. maar zolang ze beperkt roken met nicotine niveaus onder de verslavingsdrempel, is het gebruik niet sticky. Roken is dan meer als een valling dan als de griep: ‘easily caught but easily defeated’. In plaats van te vechten tegen het experimenteren, moeten we ervoor zorgen dat er geen grote gevolgen zijn.

Hoofdstuk acht: Conclusion “Focus, Test and Believe”.

Een eerste les van de Tipping Point is dat het starten van een sociale epidemie vereist dat je de resources concentreert op enkele key areas. Als je een epidemie wil met word-of-mouth, dan moet je focus leggen op mavens, connectors en salesmen.

Tweede les: De wereld komt niet overeen met onze intuïtie. Mensen die slagen in het opzetten van een sociale epidemie doen niet enkel wat ze geloven dat het juiste ding is. Ze testen vrijwillig de juistheid van hun intuïties. Om de fouten op grote schaal te voorkomen.

Communicatie tussen mensen heeft zijn eigen set van zeer ongebruikelijke en tegen-intuïtieve regels.

Ten derde: Aan de basis moet een rotsvaste overtuiging liggen dat verandering mogelijk is. Dat mensen gedrag en overtuiging radicaal kunnen veranderen onder invloed van de juiste aanzet. Omdat niemand alleen inner-directed is. Peers zijn van groot belang.

Door echter te werken op de grootte van de groep kunnen we nieuwe ideeën ingang doen vinden. Ook door te knutselen aan de presentatie van informatie kan het meer beklijven. Door de juiste mensen te vinden met sociale macht, kunnen we vorm geven aan de koers van een epidemie.

Vaak is maar een klein duwtje nodig om een epidemie te starten.