China’s New Normal – Hoe China de standaard zet voor innovatie

Auteur: Pascal Coppens

Als een ervaren verteller verhaalt de auteur over wat ik aanvoel als zijn passie: China. En wat voor een verhaal. China stond op vele vlakken achter op het Westen, maar op een vlak niet: de besluitvaardigheid om vanuit het peleton de ‘gap’ met de kopgroep – het Westen – dicht te rijden en toonaangevend te zijn. Daarvoor haalt het alles uit de kast. Én loopt het de nodige (weloverwogen) risico’s.

Een typisch iets voor het hele boek dat opvalt komt naar voor in het voorwoord met een citaat uit een gesprek tussen Henry Kissinger en Zhou Enlai. “What is your opinion on the French Revolution”, vroeg de Amerikaan. De Eerste Minister antwoordde met “It is too early to tell”. Daarmee is een van de ondertonen van het boek gezet. In China denkt men ver vooruit. De overheid maakt er nu al toekomstplannen voor 2121.

De auteur vertelt hoe China achterstond op 8 vlakken waar het volop het Westen aan het voorbij steken is: Security, Media & Entertainment, Retail, Finance & Insurance, Mobility, Manufacturing, Health en Education. Acht maatschappelijke aspecten waar Cyber, Artificiële Intelligentie en Robotica hand in hand gaan om innovatief uit de hoek te komen en marktleider te worden.

Dat dit geen toeval is kan je best geloven, doordat de Chinese overheid inspeelt op de noden van de markt om een gunstig macro-ecosysteem te creëren. Daarbij maakt het nu al plannen om de komende decennia op 10 extra vlakken wereldleider te worden: nieuwe geavanceerde informatietechnologie, automatisatie en robots, ruimte- en luchtvaart, scheepvaart en logistiek, treinverkeer, voertuigen op alternatieve energie, energievoorziening, agricultuurtechnologie, nieuwe materialen, biowetenschappen.

Het westen kan daarop reageren op twee manieren:

  • Het probeert China af te remmen met het te isoleren, waardoor het sterker en onafhankelijker wordt
  • Het werkt samen met de evolutie in China, en probeert op zijn beurt een stuk van de koek mee te pikken van hun markt, zoals het wellicht zelf een serieuze hap uit de koek zal willen op onze markten.

Daartoe geeft de auteur acht denkpatronen mee die in China gangbaar zijn. Kennis waar wij in het westen ons voordeel mee kunnen doen als we ze ons eigen maken. Zeker wat betreft ons zakendoen met China, alsook het leren denken over overmorgen, niet alleen aan morgen.

Laat ons leren denken over de wereld van over zeven generaties. China geeft de pas aan. En die is snel !

Managing Outside Pressure – Strategies for Preventing Corporate Disasters

Auteurs: Matthias Winter; Ulrich Steger

De auteurs bieden in hoofdstuk 1 een historische uitspraak van de Nobel prijs Laureaat economie Friedman uit 1962: “In a free society, there is one and only one social responsibility of business – to use its resources and engage in activities designed to increase its profits so long as it stays within the rules of the game, which is to say, engages in open and free competition without deception or fraud.” Daarmee werden organisaties dominant in de maatschappij. Maar steeds meer mensen geloven dat heden ten dagen diezelfde organisaties veel van de maatschappij haar problemen veroorzaken. Daardoor ontstaan groepen van actievoerders en die gaan druk uitoefenen. Op zich volgen daaruit een aantal vragen:

  • Wat is het belanghebbenden concept en hoe kunnen ze organisaties beïnvloeden?
  • Wat is het verschil tussen een “transactional” en een “contextual” omgeving?
  • Hoe evalueren we de situatie vanuit het standpunt van de organisatie?
  • Hoe evalueren we de situatie vanuit het standpunt van de actievoerders?

Op deze vragen geven de auteurs een antwoord in de loop van een aantal hoofdstukken.

De “Belanghebbenden”, dat kan een uitgebreid aantal groepen zijn: consumenten, klanten, concurrenten, medewerkers, aandeelhouders, milieuorganisaties, lokale gemeenschappen, lokale autoriteiten, leveranciers, speciale interesse groepen, eigenaars, de media, de wetgevende macht, wetenschappers en onderzoekers, banken,… ze hebben allemaal ergens een belang bij de resultaten en de werking van de organisatie.

Deze kunnen opgedeeld worden in twee groepen: de transactionele omgeving en de contextuele omgeving: de eerste ontstaan door een of andere professionele business relatie met de organisatie. Normaal kunnen zij onderhandelen met het management over de regels voor de transactie. De contextuele omgeving heeft geen directe markt- noch zakelijke relaties.

Daarnaast zijn er de actievoerders: die zijn losjes te classificeren in milieu-actievoerders, gezondheidsgerelateerde actievoerders en sociaal / maatschappelijk gemotiveerde actievoerders.

Daarmee zitten ze voornamelijk in de contextuele omgeving. Hoe kunnen zij dan een organisatie beïnvloeden? Dat verschijnsel beschrijven de auteurs als “Transmission belts”. Het eerste is daarbij directe druk van protest. Een tweede is het zoeken van medestanders in de transactionele groep, bijvoorbeeld de klanten. Deze impact kan de organisatie een financiële kater opleveren. Ook in de contextuele omgeving kunnen ze medestanders vinden, bijvoorbeeld bij de wetgever. Ze kunnen daarbij best beide gebruiken, vermits de klanten flexibel kunnen werken op korte termijn, maar de wetgever eerder met regelgeving doortastender werkt maar meer op lange termijn.

In hoofdstuk 3 hebben de auteurs het over “Corporate Early Awareness Models”.  Ze stellen daarbij dat het traditionele model van de belanghebbendenanalyse achterhaald is. Een aantal zaken variëren immers doorheen de tijd: de agenda’s van de verschillende belanghebbenden, het belang en de invloed van verschillende groepen, hoe de organisatie zich opstelt in de sector, maatschappelijke waarden. De nieuwe analysemodellen proberen het verschil te maken tussen vroege identificatie versus een late interventie. Het ene heeft als voordeel dat je de moeilijke zaken kan ontwijken zodat ze niet meer relevant zijn. Het tweede standpunt maakt dat je als organisatie geen tijd en energie verspilt aan wat niet relevant is. Daarbij is het goed om een onderscheid te maken tussen sterke en zwakke situaties. Sterke situaties worden best vroeg geïdentificeerd, terwijl zwakke situaties doorgaans met enige vertraging kunnen afgehandeld worden. De sterke situaties lopen daarbij kans om volgende stadia te doorlopen:

  • ‘concern’
  • ‘issue’
  • ‘crisis’
  • ‘scandal’

Omdat het een “schandaal” kan worden, is het nodig snel in te grijpen. Zwakke situaties geraken doorgaans niet in dit laatste stadium.

Om nu een systematiek te hebben tussen een “sterke” en “zwakke” situatie is er de tool voorgesteld door de auteurs, vanuit de invalshoek van de organisatie. Deze behandelt volgende acht rubrieken:

  • Zijn de argumenten tegen de situatie plausibel?
  • Veroorzaakt de situatie emotie? Is dit begrijpbaar – visueel en voelbaar – bij het publiek?
  • Is de situatie media-vriendelijk?
  • Zijn er verbanden met andere situaties van de organisatie of van andere betrokken organisaties of binnen de sector?
  • Hoe sterk is de ‘key’-groep van de actievoerders?
  • Hoe geïsoleerd is de organisatie?
  • Hoe ver is de dynamiek van de crisis reeds ontwikkeld?
  • Hoe gemakkelijk is het om tot een oplossing te komen?

Om hun ‘wereldbeeld’ te vervolledigen hebben de organisaties echter ook een beeld nodig van de situatie door de ogen van de actievoerders. Welke factoren maken de situatie ‘aantrekkelijk’ voor actievoerders? En voor welk type actievoerders? Daarvoor brachten de auteurs de actievoerders onder in vier groepen volgens twee assen. Ten eerste: integreren versus polariseren. Integreren ze de rol van de business en het publiek belang in hun eigen systeem van doelstellingen of niet? Integrators plaatsen een hoge prioriteit bij het ontwikkelen van een productieve win-win relatie met de business, terwijl de polarisators enkelvoudig hun gedacht doordrijven en niet samenwerken met de organisaties.

De tweede as toont aan of de actiegroep discrimineert tussen organisaties binnen een industrie met betrekking tot een echte of vermeende commitment van de organisatie voor milieuzaken, gezondheidszaken of sociaal/maatschappelijke zaken. ‘Discriminators’ kijken naar de voortgang van de organisaties ten aanzien van benchmarks in hun sector. De ‘non-discriminators’ focussen op de problemen die de organisaties en hele industrieën veroorzaken, zonder onderscheid tussen de ‘good guys’ en de ‘bad guys’. Deze vier groepen hebben eigen modus operandi.

  • Haaien vallen organisaties arbitrair aan. Ze zijn niet erg organisatie-specifiek in hun doelwit en zijn doorgaans ongevaarlijk voor individuele organisaties.
  • Zeeleeuwen zijn doorgaans nog minder gevaarlijk voor organisaties omdat ze de neiging hebben om enkel zwakke situaties en discussies aan te pakken over maatschappelijke waarden in het algemeen.
  • Dolfijnen focussen meer op een enkele situatie en werken samen met de organisaties om een win-win oplossing te vinden.
  • De echt gevaarlijke actiegroepen zijn de orka’s. Zij isoleren de organisatie en vernederen hen in de publieke opinie voor hun zonden. Ze kiezen symbolische situaties en gebruiken veel symboliek in hun campagnes.

Uit het onderzoek van de auteurs blijkt dat de meeste actiegroepen, maar vooral orka’s en dolfijnen, een verzameling van richtlijnen voor wanneer ze zich moeten betrekken in een situatie.

Wanneer een situatie aan de vereisten van deze of een gelijkaardige lijst voldoet, stijgt het gevaar van een confrontatie:

  • De campagne moet een duidelijk doel hebben.
  • De situatie moet gemakkelijk begrepen kunnen worden door het grote publiek.
  • De situatie heeft een symbolische waarde.
  • De situatie heeft het potentieel om het imago van de organisatie te schaden.
  • De tegenstander is sterk genoeg ( geen ‘underdog’ effect).
  • De situatie kan verpakt worden in een campagne waarin het publiek kan betrokken worden.
  • Er zijn oplossingen die confronterend zijn, niet gradueel (politieke concepten, management concepten, product- of proces-concepten, die competitief zijn qua prijs en kwaliteit).
  • Er moet een drama-element zijn aan de campagne om de media te engageren.

In hoofdstuk zes geven de auteurs een aantal tips en voorbeelden van de toepassing van deze checklists. Een mogelijke template daarbij voor een signaal-beschrijving van een aankomende situatie bevat daarbij onder andere een plaats voor volgende vragen:

  • Wat is de situatie?
  • Wie is er geaffecteerd? (intern / extern?)
  • Wie heeft de situatie ontdekt?
  • Wanneer zijn de signalen opgetreden?
  • Waar zijn de signalen opgetreden?
  • Welk zijn de opgetreden signalen?
  • Waarom kan dit een situatie worden die relevant is voor de organisatie?

In hoofdstuk 7 geven de auteurs negen cases weer van situaties die zijn opgetreden, of die toen ter tijd in de nabije toekomst lagen om potentieel op te treden, ter argumentatie dat het model werkt.

In hoofdstuk acht geven de auteurs aan dat de organisatie steeds de keuze heeft tussen twee opties:

  • Laat het project/ de actie vallen.
  • Voer het project/ de actie toch uit.

Daarbij geven ze telkens een woordje advies.

Een mogelijke template voor deze tools vind je in bijlage.

 

Firearms Acquisition By Terrorists In Europe

Research findings and policy recommendations of Project SAFTE

Auteurs: Nils Duquet; Kevin Goris

In dit boek geven de auteurs een overzicht van de kennis aangaande de aankopen van wapens in de EU door terroristen.  Dit is een fenomeen dat veel aandacht verdient, omdat gebleken is in het recente verleden dat dit geen ‘ver van mijn bed show’ is. Na elke terreurdaad zijn er een massa vragen bij de bevolking. Niet alleen waarom dit gebeurde, maar ook hoe dit kon gebeuren wordt dan regelmatig gevraagd. Dit boek probeert bij het ‘hoe’ het aandeel ‘wapenmarkt voor terroristen’ in kaart te brengen.

Daarbij gaan ze in het eerste hoofdstuk over de wetgeving tot 2017. Uit deze bespreking van de wetgeving van wapenverkoop blijkt dat de EU nog heel wat werk heeft om de landen op elkaar af te stemmen, om de wapentransporten en wapenverkoop legaal sluitend te maken.

In het tweede hoofdstuk bespreken de auteurs de illegale wapenmarkten in Europa zelf. Daaruit blijkt hoe moeilijk het is om een overzicht te hebben over iets wat simpel lijkt, namelijk hoeveel illegale wapens zijn er in Europa? De schatting loopt tussen 81000 en 67000000. Moeilijkheid om schattingen te maken zijn o.a. de gesloten markten maar ook de stijging van beschikbare legerwapens op de illegale markten. Reken daarbij illegale productie, diefstal en heractiveren van antieke wapens, en je komt op een onoverzichtelijk plaatje.

In het derde hoofdstuk bespreken de auteurs de toegankelijkheid van de wapenmarkten voor terroristen. Dat blijkt niet zo eenvoudig te zijn. De wapenmarkten zijn een gesloten markt van ‘ons kent ons’. Als je al criminele feiten op je palmares hebt, ben je gekend en word je vertrouwd. Bovendien zijn de wapenhandelaars niet zo happig om wapens te verkopen als ze weten dat het doel een terreuraanslag plegen is. Daarnaast blijkt dat de markten niet een enkele markt is. De aanschafmethoden verschillen naargelang het gaat om separatisten, religieuze terroristen, rechtse terreurgroepen of linkse terreurgroepen.

In het vierde hoofdstuk geven de auteurs een aantal beleidsadviezen ten aanzien van de landen en de EU.

Daarbij gaat het o.a. over een samenhangende aanpak van de regelgeving. Maar ook op operationeel vlak geven ze advies, zoals het uitwisselen van data, het uniform opslaan van gegevens, samenwerken bij analyse van de data, het monitoren van de implementatie van wetgeving, het toepassen van strenge straffen… Ook samenwerken met de burgers wordt niet vergeten, door de mogelijkheid om hen vrijwillig hun wapens te laten inleveren. Daarnaast hebben ze ook oog voor de op te bouwen capaciteiten, internationale coördinatie en coöperatie. Tot slot geven ze volgende risico’s aan om op te volgen:

  • De toename van beschikbare military-grade wapens,
  • De verspreiding van vuurwapens van de legaliteit naar de illegaliteit,
  • De rol van wapenverzamelaars en enthousiastelingen, en handymen,
  • Wapentransacties op het internet,
  • De toekomst van 3D printen.

 

Risicomanagement strikt genomen – succesfactoren van draagvlak

Auteur: Manu Steens

Een organisatiestructuur, een decreet of wet, (een) (sommige) maatregel(s), … om te kunnen lukken moeten ze gedragen zijn. Om gedragen te worden moeten ze (h)erkend worden. (Ik heb nog geen criterium om te zeggen in welke gevallen dit model allemaal van toepassing is, daarvoor zou een studie moeten gebeuren van geslaagde en gefaalde zaken in hindsight.)

Erkenning op zich nu echter, steunt volgens mij op vier succesfactoren:

  • legitimiteit,
  • samenhang van de doelgroep door nabijheid bij hun medewerkers van het issue,
  • doeltreffendheid met doelgerichtheid en doorzettingsvermogen,
  • gezag.

Deze vier pijlers hangen onderling samen. Als je er een poot van de tafel onderuithaalt gaan de andere deels mee en valt de tafel om. Je mag ze dus in feite niet als onafhankelijk zien. Voor het gemak van de verdere bespreking doe ik dat hier toch.

Een zaak die duidelijk gedragen lijkt te zijn is de EU regelgeving van de GDPR. Iets wat niet gedragen lijkt te zijn is de Brexit. Laten we daarom deze twee zaken eens illustreren aan dit idee.

Succesfactoren van draagvlak toegepast op de GDPR.

  • Legitimiteit: De wetgeving van de GDPR werd opgelegd door de EU en geldt voor alle EU landen ter implementatie
  • Samenhang van de doelgroep door nabijheid: De landen van de EU hangen samen, doordat ze in een verband zitten in de EU, maar ook door het feit dat de landen vrij verkeer van personen hebben, waardoor ze ondanks reizen in de EU kunnen genieten van soortgelijke wetgeving. Tevens is voor het grootste deel de EU een samenhangend geheel, waardoor de landen samenhangen voor wat betreft als een blok achter de wetgeving staan. De nabijheid wordt wellicht het best geïllustreerd door het feit dat de burgers van de EU de wetgeving herkend hebben als iets dat hen heel erg aan gaat. Het hoorde de burger zeer snel toe.
  • Doeltreffendheid: Er is een waarachtige barnum reclame gevoerd voor de GDPR, waarbij er geduid werd op het feit dat deze wetgeving voor de burger geldt. Deze was zo effectief dat de mensen van de EU en de organisaties doordrongen zijn van hun rechten, en er zelfs op zeer korte termijn een jobcreatie uit voort kwam: bijv. juristen gespecialiseerd in de GDPR, maar ook DPO’s, cursussen,…
  • Gezag: Er werd in de wetgeving zelf ook een plaats voorzien voor strafmaatregelen bij niet-toepassing van de wet door de organisaties in de EU. Ook auditmogelijkheden werden voorzien. Mede door deze stokken achter de deur schoten veel organisaties in gang, en was het besef groot “om er iets aan te doen”.

Conclusie: door de barnumreclame werd deze wetgeving sterk gefundeerd in deze vier succesfactoren, waardoor deze eigenlijk alleen maar kon lukken.

Succesfactoren van draagvlak toegepast op de Brexit.

  • Legitimiteit: Die is er gekomen door een onduidelijk referendum met een meerderheid “achter de komma”. Er is totale verdeeldheid binnen en over de partijen heen en binnen de burgerij. De Britse premier stond daardoor volledig in een spagaat van onduidelijkheid. Geen enkel van de voorstellen van de EU noch van de Britten zelf werd aanvaard door een duidelijke meerderheid.
  • Samenhang: De Britten zijn verdeeld. De voor- en tegenstemmen zijn netjes verdeeld en zonder een duidelijke samenhang. Vele mensen hechten samen met hun politiek veel belang aan hun soevereiniteit. Anderen kiezen voor de mogelijkheden die een samenhangend Europa samen met de Britten er bij zou kunnen betekenen. De samenhang is zoek. De verdeeldheid is tot op het granulaire niveau van de bevolking.
  • Doeltreffendheid: Door een hoop onduidelijkheden werden alle voorstellen op een redelijke manier van Brexit afgewezen. Daardoor wordt er regelmatig uitgesteld. Daardoor is het onduidelijk hoe, of en wanneer de Brexit een feit zal zijn.
  • Gezag: De Brexit zou afhankelijk van dag tot dag bij een nieuw referendum anders kunnen uitdraaien. Ook heerst er een verschil in mening tussen bijv. de Schotten en de rest van de Britten. Daarnaast stellen de Britten regelmatig de historische woorden van Churchill dat “GB met de EU is maar niet van de EU”.

Conclusie: De Brexit is geen succes te noemen.

Onzekerheid – over leven in de risicomaatschappij

Auteur: Dirk Geldof

Van dit boek kreeg ik toevallig de eerste druk uit 2008 in handen. Dit kan dus eventueel verschillen inhouden t.a.v. latere drukken. Ik vertrouw er echter op dat dit niet nefast zal zijn voor deze boekrecensie.

In de inleiding stelt de auteur dat onze wereld steeds sneller verandert. Wat gisteren nog evident leek, is het vandaag niet meer. Wie meesurft op die golven van verandering merkt de voortdurende versnelling amper. Enkel wie wat afstand neemt, ziet de snelheid. Vaak betekenen veranderingen verbeteringen, niet in het minst technologisch. Toch is lang niet elke verandering een verbetering.

Met die woorden begint het boek. Het is dus niet verwonderlijk dat mensen te midden die snelheid aan veranderingen zich onzeker voelen.

Met dit boek wil de auteur een kader aanreiken om de snel veranderende samenleving (beter) te (blijven) begrijpen. Om dit te kunnen schrijft de auteur dit kader uit in negen hoofdstukken. Welke lessen zijn er bijgebleven?

Hoofdstuk 1: Een wereld van onzekerheid

  • We leven in een paradoxale wereld: nooit was er zoveel (on)zekerheid.
  • De wereld evolueert razendsnel en verandering is de norm.
  • Mensen willen steeds meer risico’s vermijden.
  • Onzekerheid is uitdagend maar ook psychisch belastend.
  • We evolueren van een solide moderniteit naar een versplinterde moderniteit: men moet steeds flexibeler zijn.
  • Groeiende scheiding tussen macht en politiek: beschermende kaders vallen weg.
  • Economie als macht maakt onzeker.
  • Competitie wordt hipper dan solidariteit.
  • Er wordt minder gedacht, gepland, en gehandeld op lange termijn.
  • Mensen moeten meer op zichzelf leren omgaan met risico’s. Individualisering is een probleem.
  • Leven in de 21ste eeuw is inspelen op verandering en omgaan met onzekerheid. Wat gisteren evident was, is vandaag achterhaald.

Hoofdstuk 2: De wereld als mondiale risicomaatschappij

  • Actualiteitsdruk zorgt voor voortdurende verandering.
  • We moeten afstand nemen van onze normale gefragmenteerde manier van kijken om het grotere verhaal te zien.
  • Het idee van een risicomaatschappij is dat we op alle maatschappelijke domeinen met risico’s worden geconfronteerd. Ecologische risico’s zijn daarbij zeer belangrijk.
  • Risicomaatschappijen zijn “die samenlevingen die worden geconfronteerd met de uitdagingen als gevolg van de zelf gecreëerde – en eerst verborgen – mogelijkheid om al het leven op aarde te vernietigen.
  • Zowel als samenleving als in de privésfeer is men steeds meer bezig met het leren omgaan met risico’s. Het gaat nu om méér en àndere risico’s dan vroeger.
    • Technische risico’s zijn uitvergroot.
    • Klimaatopwarming is meer dan een issue.
  • Onzekerheid wordt nu meer door mensen geproduceerd.
  • Het gaat niet alleen om objectieve verschillen tussen zekerheid vroeger en nu, maar ook om de subjectieve ervaring er van.
  • Er is een strijd om de verdeling van de risico’s, en die wordt dominanter. Maar: rijkdom kan hiërarchisch zijn, maar smog is democratisch: iedereen wordt er door getroffen.
  • Wetenschap en technologie verliezen hun gezag, en spreken elkaar in crisissen soms tegen.
  • In de overgang naar de mondiale risicomaatschappij worden risico’s soms ook onverzekerbaar, zoals kernrampen en terreuraanslagen. We kennen altijd het begin van de ramp, maar zelden of nooit het einde.
  • Risico’s worden ook steeds mondialer. De impact van een financiële of ecologische crisis is /zal wereldwijd zijn. Ook de angst daarbij is wereldwijd.
  • Maar de focus op risico’s is tevens de aanzet om er iets aan te doen.

Hoofdstuk 3: Ecologische risico’s steeds centraler

  • Ecologische risico’s waren in 2008 een recente kwestie.
  • Duurzaamheid is een sleutelwoord in de risicomaatschappij.
  • Klimaatopwarming is hét hot issue, het situeert zich overal ter wereld en nog is het onderbelicht.
  • Er zijn drie grote groepen van globale ecologische risico’s:
    • die voortkomen uit rijkdom, (bijv. zure regen)
    • die voortkomen uit armoede, (bijv. platbranden van wouden voor landbouw)
    • die voortkomen uit nucleaire, biologische en chemische wapens (en klassieke oorlogsvoering).
  • Gevaren daarbij zijn verschillend van vroeger om twee redenen:
    • de impact gaat verder bij nucleaire en chemische of genetische processen,
    • we gaan vaker over de grenzen heen van wat de natuur kan herstellen.
  • We moeten opnieuw leren omgaan met niet-weten. Alles weten en kennen is niet het pad naar de oplossing, is ook niet meer mogelijk. Daarbij kan het voorzorgsprincipe ons helpen.

Hoofdstuk 4: Globalisering en sociaaleconomische risico’s

  • Een job voor het leven kan niet meer met zekerheid gesteld worden. Maar voor velen is dit ook geen ideaal beeld meer. Het risico op armoede is hier aan gelinkt, maar net zo goed het risico op burn-out.
  • De markten staan centraler is de wereld, het belang van natiestaten brokkelt af. Of toch niet?
  • Grenzen aan ruimte en tijd vervagen. Door het internet, en doordat sommige steden reeds 24h per dag bruisen van leven. Productie gebeurt haast de klok rond.
  • Migranten van nu kunnen op elk moment contact onderhouden met hun familie via GSM en internet. Op die manier leven ze in twee werelden.
  • De arbeidsmarkt komt onder druk te staan van de globalisering. De eerste veranderingen waren na de tweede wereldoorlog en het toenmalige tekort aan arbeidskrachten.
  • De werkende mens moet steeds flexibeler omgaan met de relatie privé – werk. De vraag is maar hoeveel rek daar op zit. Onder andere daardoor ontstond structurele werkloosheid.
  • Werkloosheid is een probleem op meerdere manieren:
    • m.b.t. het inkomen,
    • m.b.t. integratie (niet alleen van migranten maar ook van autochtonen in de maatschappij),
    • m.b.t. de financiering van de sociale zekerheid,
    • m.b.t. verdeling van hoeveelheid arbeid, ongelijke lonen, macht, aanzien, zelfrealisatie en tijd(sinvulling).
  • Ook armoede en sociale uitsluiting vormen belangrijke sociaal-economische risico’s.
  • Met loonarbeid centraal en een stijgende job onzekerheid volgt er een groeiend risico op burn-outs en depressies en andere gezondheidsklachten. We beschouwen daarbij de door onszelf gecreëerde economische systeem als een externe druk.

Hoofdstuk 5: Individualisering en onzekere vrijheid

  • De individuele vrijheid is enorm. Mensen kunnen hun eigen boek schrijven. Maar daarmee komen onzekerheden: welke keuzes moeten we maken? Dat staat niet in dat boek tot ze gemaakt zijn. Daarmee doen ze ook aan zelfrealisatie.
  • Mensen werden al in het begin van de 20ste eeuw onafhankelijker van de (lokale) gemeenschap, familie en vrienden. Mensen kiezen nu zelf meer tot welke groep ze behoren.
  • a. daardoor stijgt de vraag naar de zin en de kwaliteit van het leven. Dit overstijgt de onmiddellijke bestaanszekerheid.
  • Relaties worden dan ook brozer. Het huwelijk is vaak niet meer tot de dood u scheidt. Best forever friends zijn niet forever. De kans om alleen te staan te komen wordt realistischer. Maar er ontstaan ook nieuwe ontmoetingsvormen: relatiebureau’s, relatietherapie, dating-websites,…
  • Zelfrealisatie ontplooit zich ook in belangrijke mate in de arbeidswereld on the job. Broze relaties maken jobzekerheid crucialer. Flexibiliteitsvereisten werken voor die broze relaties niet bepaald mee.
  • De effecten van de individualisering op kinderen is groot. Zelfs op de beslissing om kinderen te hebben. Het is nu meer dan ooit een controleerbare, planbare en bewuste beslissing.
  • Elke keuze in relatie tot het bovenstaande in dit hoofdstuk houdt een bijhorend individualiseringsrisico in, omdat elke keuze de verkeerde kan zijn. En het feit dat ze ons en anderen kunnen confronteren.
  • Enkele kanttekeningen zijn
    • Individualisering en ongelijkheid: niet iedereen in de maatschappij heeft een echt vrije keuze om een levensproject uit te bouwen, om zijn eigen boek te schrijven.
    • De samenleving is meer dan de optelsom van individuen en families. Er is nood aan sociaal cement. Dat dreigt te verdwijnen. Verder wil iedereen de vrije keuze, maar kiezen de meesten voor hetzelfde.
    • De macht om zelf te kiezen is tegenwoordig veelal belangrijker dan het volgen van stramienen en tradities. De kerk bijv. heeft haar macht verloren. Veel ouders ook.
    • Het is duidelijk dat migranten anders staan tegenover de individualiseringsprocessen in West-Europa.

Dit levert spanningen op.

Hoofdstuk 6: Tijdsrisico’s in een versnellende samenleving

  • De economische en technologische veranderingen zorgen voor groeiende tijdsdruk. Daarbij treden persoonlijke en maatschappelijke tijdsproblemen op. Omgang met tijd is immers een van de domeinen waarop de individualisering het sterkst tot uiting komt. O.a. daarbij treden drie tijdsparadoxen op:
    • Onze gemiddelde arbeidstijd was nooit korter, maar onze tijdsdruk nooit zo hoog. We stampen elk vrij moment vol met tijdsbestedingen op een overvolle rollercoaster. Ook al noemen we dat dan onze “vrije tijd”, en dat van de huisgenoten. De druk op de vrouw in de relatie ligt daar beduidend hoog.
    • Het toenemend gevoel van tekort aan tijd gaat gepaard met een versnelling van alles wat we doen. We plannen onze tijd steeds meer. Hoe meer tijd we winnen, hoe minder we er lijken over te houden.
    • Materieel hebben we het heel goed, maar we nemen / hebben de tijd niet om er van te genieten.
  • Onthaasting lijkt dan een oplossing voor de tijdsparadoxen.

Hoofdstuk 7: Migratierisico’s in onze kosmopolitische steden

  • Migratie is wel van alle tijden, maar de impact ervan is nooit zo groot geweest als recent. Globalisering lokt ook migratiestromen uit. Risico’s daarvan staan hoog op de agenda. Zowel voor de samenleving waar de migranten terecht komen, als voor de migranten zelf. Vragen daarbij zijn:
    • Wie is er allochtoon, wie migrant?
    • Hoe lang blijf je dat?
    • Wat is integratie nu precies?
    • Waarom migreert wie?
    • Wat is het verschil tussen een migrant en een vluchteling?
    • Is het migratieproces noodzakelijk een vervreemdingsproces?
  • Naast het risico van slechte integratie, blijft het risico van achterstelling en discriminatie.
  • Doordat we met een verouderde bril kijken naar de verandering in de steden, blijven we vaak ook denken in verouderde, stereotiepe beelden, aan beide kanten. Dit levert wij/zij tegenstellingen in de hand. Daardoor herkennen we de ambivalentie en complexiteit van de realiteit niet. Dit levert voedingsbodem voor té eenvoudige zogenaamde extreme oplossingen (zonder een holistische blik op de problematiek) en voor polarisatie aan beide zijden.
  • Of/of denken dat het eigene van het vreemde afgrenst moet vervangen worden door en/en denken.
  • Steden zijn steeds ‘transnationaler’. Met daarbij horende verwachtingen, ambities en tegenspraken. Het wordt dus niet eenvoudiger. Want migranten in onze steden brengen hun familie ook binnen via hun contact over het internet en de GSM.
  • Niet iedereen is gekend in onze statistieken. De bevolkingscijfers zijn niet volledig gekend. Dit levert problemen van zwartwerk en armoede in de hand.
  • Het multiculturele beeld van braaf naast elkaar leven is achterhaald. Elk migratieproces gaat gepaard met conflicten over normen en waarden, over gewoonten, over gedragingen die tot irritatie leiden. Een van de fouten hierin is het idee van het houden van de eigen identiteit. Er moet o.a. erkenning zijn van het anders zijn, en van meervoudige identiteiten.
    • Integratie gaat naast het verwerven van vaardigheden, vooral over het deel uitmaken van een samenleving. Daarbij moeten tradities heroverwogen worden. Maar ook de samenleving moet de migranten willen laten deelnemen aan die maatschappij. Daar is kritisch zelfonderzoek aan beide kanten niet vreemd aan. Naast elkaar leven is dus geen optie in deze visie.

Hoofdstuk 8: Onzekerheid, reflexiviteit en moderniteit

  • Reflexiviteit als zelfbeschouwing is nodig op verschillende niveaus: het individu, de organisaties, de samenleving en globaal. Maar niet alleen over zichzelf, maar ook van en door de andere partij dient daartoe bijgedragen te worden. Eventueel kan het gezamenlijk.
  • Er bestaat het risico dat het individu beschuldigd wordt van zich te blijven blootstellen aan risico’s waar hij niet aan kan ontsnappen.
  • Met moderniteit verstaat de auteur de manier van leven en organisatie van de maatschappij die in Europa ontstond vanaf de 17de eeuw en die nadien een wereldwijde invloed en verspreiding heeft gekend.
  • Een van de resultaten van het hoofdstuk is dat ecologische risico’s ons zullen dwingen om de bestaande economie drastisch bij te sturen. Dit schreef de auteur in zijn eerste druk uit 2008. Vandaag de dag voelt dit steeds nijpender aan. Verouderde instituties en structurele beperkingen helpen daar niet aan. Dit moet zich ook politiek gaan vertalen.

Hoofdstuk 9: Uitdagingen in de mondiale risicomaatschappij

  • Dé uitdaging voor de 21ste eeuw is zonder twijfel de klimaatopwarming. Dit is van een geheel andere orde dan de milieuproblemen van de eerste generatie die eenvoudig oplosbaar waren.
  • Onze rijkdom in Europa is uitzonderlijk en mogelijk omdat er vijf miljard mensen het veel minder hebben. Een radicale bijsturing van het korte-termijn-winstbejag is nodig.
  • De sociale zekerheid in Europa en de sociale voorzieningen zijn een realisatie van het verleden die niet vanzelfsprekend is. Onze verzorgingsstaat staat onder druk. Steeds meer mensen leven langer, genieten langer van hun pensioen en doen meer beroep op gezondheidszorg, bijvoorbeeld. Maar ook steeds meer kennis van sociale risico’s zet steeds meer de solidariteit onder druk.
  • Individualiseringsprocessen zetten onze traditionele sociale relaties onder druk. Oppervlakkigheid is daarbij een risico. Dat vormt een uitdaging voor het sociaal kapitaal van de samenleving.
  • Er gebeurt een shift in wat we als samenleving prioritair vinden: onze levenskwaliteit. Maar door de huidige ontwikkelingen in de besproken domeinen in het boek, komt deze levenskwaliteit steeds meer onder druk te staan.
  • Door migratie en bevolkingsgroei zal de diversiteit in Europa verder toenemen. Daardoor zal men met pluriformiteit moeten leren leven. Dit loopt echter het risico op polarisatie.
  • We zullen anders moeten leren omgaan met kennis. Hoe moeten we leren leven met kennis over globale risico’s? De twee irrationele reacties die de auteur ziet zijn ontkenning en hysterie. Reflexieve modernisering kan daarentegen bouwen op wetenschap, ratio en kennis, en kan leren omgaan met grenzen, de onze, die van de medemens en die van de planeet enz.