Omgaan met controverse en polarisatie in de klas

Auteur: Maarten Van Alstein

In de inleiding begint de auteur zijn bijdrage zo ongeveer met een verwijzing naar “Kunnen we praten?”. De titel van een boekje van de Nederlandse journalist Joris Luyendijk uit 2017 waarin hij lezers uitnodigt in gesprek te gaan over politiek en samenleving. En over hoe het verder moet. Omdat praten behoort tot het wezen van de democratie.

De school dient om de leerlingen voor te bereiden op de (democratische) maatschappij en dus moet democratie ook democratisch onderwezen worden. Daarom is ook praten in de klas onontbeerlijk. Dit is echter niet gemakkelijk. Net zoals in de maatschappij buiten de klas, zijn ook binnen de klas tegenstrijdige ideeën aanwezig. Die kunnen aanleiding geven tot controverse en polarisatie. Daarbij komt dat daarnaast bovendien een aantal controversiële onderwerpen op het curriculum staan, zoals religie, de holocaust, homoseksualiteit en de evolutietheorie.

Dat maakt lesgeven er niet gemakkelijker op.

Deel 1 van het boek heet “Samenleven met tegenstellingen”. Het begint met een reflectie over de klas als een spiegel van de samenleving. Veel van het ideeëngoed van de leerlingen komen immers rechtstreeks uit de maatschappij waarbinnen zij zich bevinden buiten de schoolse omgeving. De samenleving dus. En die samenleving is in het westen “superdivers” te noemen. Daar zijn twee valkuilen aan verbonden. Want ten eerste is de diversiteit niet beperkt tot het cultureel etnische noch het religieuze. Ten tweede bestaat het risico dat verschillende groepen als homogene delen worden bekeken.

De samenleving is voor de volwassenen van morgen er ook niet eenvoudiger op geworden. Polarisatie maakt dat op veel plaatsen er groepen regelrecht tegenover elkaar staan en niet meer met elkaar praten. In niet weinig gevallen worden meningen over controversiële zaken gevormd door invloed van derden, zoals bijv. door de thuissituatie.

Dit onderzoeksresultaat bevat moeilijke thema’s. Het is enorm confronterend. Maar die bevindingen mogen niet uit de weg gegaan worden, maar moeten deel uitmaken van de realiteit waar de leerkrachten in de frontlinie staan. Leerkrachten zijn belangrijk hierin omdat ze de leerlingen individueel kunnen leren kennen en kneden. Dit is een groot voordeel t.o.v. de statistische aanpak. Want statistiek doet steeds uitspraak over groepen.

Hoofdstuk 2 stelt dat de diversiteit, conflicten en breuklijnen van de samenleving in de klas aanwezig zijn. Dit is van invloed op het bespreken van de actualiteit en het vormen van een eigen mening. Dit op zich wordt volgens de leerlingen aangemoedigd in een open klasklimaat.

Maar dat neemt niet weg dat sommige leerlingen fel kunnen reageren op thema’s zoals religie. Zo blijkt ook bijv. homofilie in sommige groepen onbespreekbaar, zodat het verwaarloosd wordt om geen onrust te veroorzaken. Een terechte vraag is dus of leerkrachten wel 100% meester zijn van de situatie. Er zijn in de literatuur in verband daarmee verschillende motieven waarom leerkrachten heikele situaties uit de weg gaan:

  • Te weinig tijd.
  • Vrees om de controle te verliezen.
  • Vrees voor conflicten en gekwetste leerlingen.
  • Vrees voor negatieve reacties van ouders.
  • Een gebrek aan kennis of vaardigheden.
  • Een gebrek aan opleiding en training.

In het derde hoofdstuk spreekt de auteur over de twee grote onderwerpen van het boek: controverse en polarisatie. Het ene is een verhitte discussie over een gevoelig onderwerp, bij het andere komen groepen lijnrecht tegenover elkaar te staan en wordt de ruimte voor een open gesprek uiteindelijk onmogelijk. Let wel: dit gaat niet over interpersoonlijke conflicten zoals ruzie en pesten, waar persoonsgebonden emoties en belangen spelen.

Een onderscheid in controverses kan gemaakt worden als die over empirische onderwerpen en politieke onderwerpen. Een tweede onderscheid is dat tussen open thema’s en kwesties met een ‘gevestigd antwoord’. Maar er wordt nog geluisterd naar elkaar.

Dat laatste is anders bij polarisatie: dat is een dovemansgesprek / dovemansmonoloog langs twee kanten. Daarbij stellen zich vragen als hoe gevaarlijk het is, hoe het fenomeen moet ingeschat worden, wat de risico’s zijn maar ook of het verrijkend kan zijn (want het creëert polemiek in de politiek). Om dieper in te gaan op polarisatie gebruikt de auteur de begrippen van Bart Brandsma.

Deel twee heet “Theoretische richtingwijzers”.

De eerste vraag die de auteur wil behandelen is hoofdstuk 4 met als titel “Waarom werken rond controverses en polarisatie?”. Een belangrijk punt daarin is dat wanneer leerkrachten de die situatie in de klas vermijden, ze de leerlingen de kans ontnemen om zich te ontwikkelen als democratische burgers. Daarom moet de controverse aangegaan worden met opletten voor polarisatie. De school is de beste plaats om hen hiermee te leren omgaan. Het is immers de plaats bij uitstek waar leerlingen van allerlei “strekkingen” elkaar ontmoeten en voor langere tijd met elkaar moeten omgaan. Het is dan de taak van de leerkrachten om een moeilijk gesprek om te buigen naar constructieve gesprekken. Daarbij is het begrip “de politieke klas” belangrijk. Een gezonde discussie is daarbij de motor. En een open klasklimaat is daarbij een voorwaarde. Het bevordert kennis over het democratische proces, verhoogt het politieke zelfvertrouwen van de leerlingen, verstevigt het vertrouwen in de politiek als dusdanig, leert conflict positief in te zetten, en stimuleert politiek gedrag zoals het volgen van de actualiteit. Harmonieus samenleven met verschillende culturen is echter ook dan nog niet vanzelfsprekend. Belangrijk dan is een gelijke status, samenwerking, gemeenschappelijke doelen, en een steunen van de contacten tussen de groepen door mensen met verantwoordelijkheden voor die groepen.

Hoofdstuk 5 heet “Ruimte voor discussie in de klas”. Daartoe moeten we 1) het met elkaar eens zijn over een aantal gedeelde basiswaarden en uitgangspunten, 2) het met elkaar eens zijn dat we van mening kunnen verschillen, 3) nadenken over waar de mogelijke grenzen van deze ruimte voor verschil en meerstemmigheid liggen. En dus moet men steeds de dialoog blijven aangaan, zeker als we er verschillende meningen op nahouden. Daartoe bespreekt de auteur twee modellen: een deliberatief en een agonistisch model. Dit laatste wordt tegenover polarisatie uitgelegd.

Maar er zijn altijd grenzen. Hoewel deze ‘vloeibaar’ zijn. De eerste grens is die van vrijheid en gelijkheid. Een tweede is die van de inhoud van het leerplan.

Hoofdstuk 6 gaat aansluitend in op de mogelijke posities van de leraar.

  • Controverse vermijden.
  • Ontkennen van het controversiële karakter van een onderwerp.
  • Sturend lesgeven.
  • Neutrale onpartijdigheid: de kwestie als een open thema presenteren.

Niet elke positie is altijd even wenselijk. Dat kan afhangen van de klassituatie en van het type controverse en de pedagogische context.

Deel 3 gaat over de pedagogische praktijk in verschillende scenario’s.

Deze drie scenario’s zijn:

  • De klas op stelten. (Hoofdstuk 7)
  • Heikele thema’s in het leerplan. (Hoofdstuk 8)
  • Didactisch aan de slag rond controversiële thema’s. (Hoofdstuk 9)

De klas op stelten zijn ogenblikken waarin de problemen en spanningen van de samenleving plots in alle heftigheid de klas binnenkomen. Heftige uitspraken zijn hiervoor een barometer. Complotdenken een andere. Hoe ga je daarmee om als leraar? En is er sprake van polarisatie? Hoe kun je dan toch het gesprek openhouden? Moet je de uitspraken begrenzen? Moet je een positie ‘in het midden’ innemen? Moet je de klas betrekken? Hoe moet je verder faciliteren en structureren?

En hoe herken je polarisatie? Het wordt gekarakteriseerd door monologen, pushers tav een midden, de vermeende dreiging van de andere partij, en een ‘wij-zij’ denken. Daarin laat de leraar zich best niet meeslepen is het advies. Hij richt zich best op het midden en maakt gebruik van vier ‘gamechangers’: 1) verander van doelgroep, 2) verander van onderwerp, 3) Verander van positie (naar het midden) en 4) verander van toon: oprechte interesse, erkenning van de ander, nooit oordelend.

Het leerplan bevat ook heikele thema’s. Vaak zijn dit thema’s met een set van sluitende antwoorden. Het zijn (doorgaans) geen open kwesties. Wat te doen wanneer je dan bijvoorbeeld op controverse stuit? Mogelijkheden zijn bijv.

  • Het feitelijk kader in herinnering brengen.
  • Niet meegesleept geraken in technische discussies als je de argumenten niet beheerst.
  • wijzen op juridische implicaties zoals bij negationisme
  • Doorvragen en de leerling zo terug naar de leerstof leiden.

Denk na of

  • De uitspraken begrensd moeten worden.
  • Het incident onmiddellijk bespreekbaar maken.
  • Grijp het aan om van te leren.
  • Maak afspraken om met elkaar om te gaan.
  • Leg verschillen en overeenkomsten uit tussen gelijkaardige zaken.
  • Kader het onderwerp in een breder geheel.
  • Geef een stem aan iedereen die zich betrokken voelt.
  • Hoe je de geesten kunt openen voor een leerervaring.
  • Leg uit dat ook wetenschap aan verandering is blootgesteld.
  • Je het verband kan uitleggen tussen theorie en waarneming.
  • Je hen een open wetenschappelijke geest kan meegeven en hoe.
  • Je hen kan uitleggen dat wetenschap veel kan verklaren maar ook niet alles.

Heel belangrijk bij het didactisch aan de slag gaan rond controversiële thema’s zijn de diverse werkvormen, zoals dialoog, discussie, debat, interactieve workshops, groepsprojecten, rollenspelen, kunstprojecten… Daarbij moet steeds nagedacht worden over de doelstellingen. De werkvormen kunnen immers de klasdynamiek en de verhouding leraar – leerling wijzigen. Concreet besproken werkvormen zijn 1) de filosofische dialoog en 2) de Structured Academic Controversy, 3) groepswerk, 4) workshops en 5) kunstzinnige en artistieke projecten.

Een van de besluiten in de uitleidende “Laten we praten” is dat leerlingen in een zo groot mogelijke vrijheid zo vaak als mogelijk met elkaar moeten kunnen praten. Maar ook naar elkaar moeten leren luisteren. De uiteindelijke bedoeling is om het gesprek open te houden en op een open manier blijven aangaan. Daartoe moeten ook de leraren zelf goed leren luisteren.

Action Plan against Disinformation

European Commission contribution to the European Council – 5 December 2018

Het uitgangspunt van deze bijdrage is dat vrijheid van (menings)uiting een kernwaarde is. De burger moet daarbij in de mogelijkheid zijn om over verifieerbare informatie vrijelijk te beschikken. Dit hebben ze nodig om zich correct te kunnen informeren over de brede waaier van politieke kwesties en standpunten. Dit democratisch proces komt in het gedrang wanneer desinformatie ‘roet in het eten gooit’.

Wat is het probleem?

Desinformatie wordt in dit document begrepen als informatie die geverifieerd kan worden als zijnde vals of misleidend. Het wordt gecreëerd, gepresenteerd en verspreid voor economisch gewin, of om het publiek opzettelijk te misleiden, en kan daarbij schade berokkenen aan dat publiek.

Met die schade wordt onder andere bedoeld: bedreigingen van democratische processen, alsook publiek goed zoals de publieke gezondheid, het milieu of de publieke veiligheid.

Dit actieplan is een antwoord op de vraag van de European Council voor maatregelen om de democratische systemen van de Unie te beschermen en desinformatie te verslaan, met inbegrip van de context van de opkomende Europese verkiezingen.

Begrijpen van de dreiging.

Er wordt een stijging verwacht van doelgerichte desinformatiecampagnes tegen de Unie, haar instituten en haar beleid, in de aanloop van de Europese verkiezingen van 2019. Daarbij wordt gebruik gemaakt van deep-fakes (video manipulatie) vervalsingen van officiële documenten, bots (geautomatiseerde software), trolls (valse profielen op sociale media) en informatie diefstal. Ook de traditionele, klassieke, media blijven een rol spelen. De tools en de technieken veranderen snel, daarom moet de respons ook snel gebeuren.

Vier pijlers voor tien acties door de Unie als antwoord tegen desinformatie.

Acties tegen desinformatie vereist politieke beslistheid en samenwerking, over overheden heen (met behulp van contra-hybride dreigings-, cybersecurity-, informatie- en strategische communicatie gemeenschappen-, data protectie-, verkiezings-, juridische – en media autoriteiten).

De vier pijlers zijn:

  1. Verbeteren van de mogelijkheden van de instituten van de Unie om desinformatie te detecteren, analyseren en aan de kaak te stellen;
  2. Versterken van samenwerkende respons tegen desinformatie;
  3. Mobiliseren van de private sector om desinformatie onderuit te halen;
  4. Verhogen van awareness en het verbeteren van maatschappelijke resilience.

Pijler 1: Verbeteren van de mogelijkheden van de instituten van de Unie om desinformatie te detecteren, analyseren en aan de kaak te stellen.

Actie 1: het versterken van een aantal Strategische Communicatie Task Forces met gespecialiseerde medewerkers in data mining en analyse om de relevante gegevens te verwerken. Denk daarbij ook aan extra media monitoring diensten voor de vele taalgebieden die Europa heeft. Daarnaast moet er ook geïnvesteerd worden in tools voor het verwerken van deze data en het uitvoeren van assessments.

Actie 2: De mandaten van de Strategische Communicatie Task Forces voor de Westelijke Balkan landen en de zuidelijke landen zullen herbekeken worden, om eveneens daar desinformatie effectief aan te pakken. Lidstaten moeten hun nationale mogelijkheden aanvullend daartoe verhogen, ook wat betreft ondersteuning aan de Unie m.b.v. medewerkers.

Pijler 2: Versterken van samenwerkende respons tegen desinformatie.

Actie 3: een RAS (Rapid Alert System) wordt ontwikkeld en in gebruik genomen. Dit RAS zou moeten nauw samenwerken met diensten van de lidstaten die 24/7 bereikbaar zijn.

Actie 4: een verhoging van de communicatie-inspanningen over de waarden en het beleid van de Unie, met het oog op de komende Europese verkiezingen. Ook de lidstaten moeten deze inspanning leveren.

Actie 5: De Commissie en de High Representative, samen met de lidstaten, zullen hun strategische communicaties in de omgeving van de Unie versterken. Dit gebeurt o.a. door het delen van informatie, delen in de lessen, verhogen van awareness, proactieve berichtgeving en onderzoek te versterken en te delen.

Pijler 3: Mobiliseren van de private sector om desinformatie onderuit te halen.

Actie 6: De Commissie ziet nauwlettend en continu toe op de implementatie van de ‘Code of Practice’ door haar ondertekenaars. Waar nodig, en in het licht van de naderende verkiezingen, zal de Commissie aandringen op een snelle en effectieve compliant implementatie. Daartoe zal een assessment gebeuren. Indien deze ‘Code of Practice’ onvoldoende blijkt, kan de Commissie verdere acties voorstellen, waaronder juridische.

Pijler 4: Verhogen van awareness en het verbeteren van maatschappelijke resilience.

Actie 7: Ook op langere termijn zullen doelgerichte campagnes voor het breed publiek georganiseerd worden, alsook trainingen voorzien worden voor de media en de opiniemakers in de Unie en haar omgeving. Dit met als doel het negatieve effect van desinformatie onder ogen te brengen. Inspanningen van onafhankelijke media en kwaliteitsjournalistiek alsook het onderzoek naar desinformatie zal verder gezet worden om een omvattende respons te kunnen voorzien.

Actie 8: Lidstaten samen met de Commissie moeten in de oprichting voorzien van teams van multidisciplinaire onafhankelijke fact-checkers en onderzoekers met specifieke kennis van lokale informatie, om desinformatiecampagnes te detecteren op o.a. sociale netwerken en digitale media.

Actie 9: Acties zullen ondernomen worden voor de media-geletterdheid van het publiek. Lidstaten moeten ook snel werk maken van voorzieningen van de Audio-visual Media Services Directive, die daar over gaat.

Actie 10: De lidstaten moeten een effectieve opvolging van de ‘Elections Package’ verzekeren, meer bepaald de ‘Recommendation’. De Commissie zal hierop toezien en waar nodig ondersteuning geven en advies.

Het broodnodige water

Rede van Carl Decaluwé – Gouverneur van West Vlaanderen – 6 december 2018

Het verhaal in de inleiding van het boekje begint als volgt:

“De moeder van alle hedendaagse rampscenario’s is ontegensprekelijk de ontwrichting van het klimaat. De afgelopen zomer [in 2018] in ons land was vooralsnog de warmste, sinds het begin van de waarnemingen in 1833. De voorbije twee jaar waren ook uitzonderlijk warme zomers. Ondertussen smelten de poolkappen in een schrikbarend tempo. Die feiten zijn echter niet de meest angstaanjagende, wel de vaststelling dat velen de implicaties hiervan nog altijd niet onder ogen zien.”

De noordpool is daarbij zowel een indicator als een aanjager van het klimaat. Dit heeft te maken met een verstoord weerpatroon: de “poolwervel” is immers in tweeën gebroken. Het klimaat wijzigt en zorgt daarbij voor zowel droogte als overstromingen. Zelfs de Global Seed Vault kwam daarbij in de problemen.

Maar ook de kustgebieden komen in de problemen en in grote lijnen op volgende manieren: door het klimaat, door de stijgende zeespiegel, door de verzilting en door meteo- en hydro-extremen.

De conclusie van dit alles is dat er extreme actie nodig is.

“Historisch hebben we het waterbeheer altijd aangepast aan de behoeften van de mens. Dit beleid is niet langer houdbaar. Er is een integrale benadering nodig. We moeten onze noden aanpassen aan de waterbeschikbaarheid.” Zo concludeert de auteur in de inleiding.

Er is dus een grote kwetsbaarheid: we hebben het water nodig om te

  • Leven
  • Overleven
  • De levenskwaliteit goed te houden

Maar het is in feite slechts beperkt aanwezig. Oppompen van grondwater heeft als nadelen dat het verzilting in de hand werkt, en dat we het opgebruiken. Een van de oorzaken/verschijnselen van/bij de problematiek is dat we er aan gewoon zijn dat het er altijd is. Tevens is het probleem erg plaatsafhankelijk.

Water is een internationale topprioriteit. In deze rede zijn een aantal bijdragen van experts opgenomen. Deze gaan van een situatieschets tot wat we in Vlaanderen kunnen doen aan onze situatie. Enkele lessons identified zijn:

  • Er is water tekort in meerdere landen. Dit kan aanleiding geven tot competitie en verhoogt de kans op conflicten. Er moeten dus prioriteiten gesteld worden voor de verdeling.
  • Ondanks dat Vlaanderen een der droogste regio’s is van W-Europa, is er weinig “sense of urgency”.
  • Wat we kunnen doen op korte termijn: sparen, beschermen, verspilling vermijden.
  • Opslagruimte creëren is goed voor zowel droogte en tekort als wateroverlast. Maar er is weinig ruimte voor, en er is ondoordacht omgesprongen met ruimtelijke ordening. Vraag is echter ook: moet het wel bovengronds?
  • Leidingwater is een essentiële bron van water voor de meesten. Hemelwater wordt echter steeds belangrijker.
  • Grondwater is van goede kwaliteit en zeer gegeerd. Maar de cyclus om het aan te vullen is 10-tallen jaren tot 1000den jaren. Verzilting in de polders is een gevolg van overdreven oppompen.
  • Er is ook het zogenaamde “virtuele water”. Dit kan veel impact hebben bij import.
  • Meer productie geeft problemen met waterhuishouding.
  • Export minderen in landen met watertekort is beter voor de lokale ecosystemen. Maar daar wordt te weinig rekening mee gehouden.
  • Een holistische kijk is echter groeiend bij velen. We zullen moeten kiezen voor zogn. “waterarme” producten.

Vanaf Hoofdstuk 3 gaat het voornamelijk over de situatie in West-Vlaanderen. Daarbij is een opmerking zeer belangrijk: door deze situatie loopt Vlaanderen de kans om oplossingen te vinden en daarmee voor te lopen op de rest van de wereld. Deze oplossingen kunnen we daarna dan weer uitdragen.

Onze Lucht – Wat je moet weten over luchtkwaliteit

Auteur: Wouter Lefebvre

In dit boek legt de auteur, bijna zonder jargon, uit wat je over de luchtkwaliteit moet weten. De vervuilende stoffen zijn talrijk. Zo bespreekt hij de NOx (de stikstofoxiden), het SO2 (zwaverdioxide), 03 (Ozon), fijn stof, NH3 (Ammoniak).  Een belangrijke wordt er echter niet echt expliciet ten gronde besproken: CO2. Naast de vervuilende deeltjes, hun onderlinge interacties en hun effecten op het milieu, bespreekt hij tevens wie de grootste vervuilers zijn.

Maar daar eindigt hij niet.

Tevens bepaalt hij een aantal acties die de vervuiling bij de bron moeten aanpakken. Enkele lessons identified zijn:

  • Beperk transport met diesel.
  • Vervuiler betaalt, ook de externe kosten.
  • Filter de vervuiling aan de bron.
  • Ga eens meer met de fiets of te voet.
  • Gebruik geen houtkachels of open haard.
  • Isoleer je huis.
  • Laat schepen gebruik maken van walstroom.
  • Gebruik groene, hernieuwbare energie.
  • Verander je voedingspatroon (eet minder vlees).
  • Verbruik meer lokale producten.
  • Vertrouw op experts.
  • Controleer of verplichtingen worden nageleefd.
  • Durf nieuwe maatregelen nemen, ook lange termijn.
  • Plant een boom.
  • Kies tegen lintbebouwing.

 

Na de lessons identified geeft de auteur een idee van de kosten/baten van investeringen in infrastructuur die zou kunnen helpen.

Maar bovenal: er worden reeds maatregelen genomen, en die werpen reeds vruchten af. De lucht is nu reeds veel properder dan pakweg 100 jaar geleden. Echter, er is nog een weg te gaan. Zijn advies is dan ook om die weg te gaan. Ook in het kader van de klimatologische veranderingen.

Risicoleiderschap – doelgericht omgaan met onzekerheden

Auteur: Martin van Staveren

De auteur combineert de containerbegrippen leiderschap en risicomanagement tot het begrip risicoleiderschap op basis van de wisselwerking tussen wetenschappelijk inzicht en de praktijk.

Het draait rond doelgericht omgaan met onzekerheden. Dat is de rode draad voor iedereen binnen en buiten elke organisatie. De lering is dat anders omgaan met onzekerheden, hen vanuit een andere hoek bekijken dan voorheen, ongekende mogelijkheden biedt.

Om risicoleiderschap te ontwikkelen / te hebben hoef je geen leidinggevende, risicoadviseur, risicomanager of risk officer te zijn. Het is dan zelfs eenvoudiger, omdat je niets hoeft af te leren.

Waarom is risicoleiderschap relevant? Deels heeft dit te maken met onze VUCA wereld. Want deze VUCA omgeving bepaalt mee of je organisatie succesvol is of faalt. Het raakt iedereen. Risicoleiderschap wil je daarmee leren omgaan. Daarom is risicoleiderschap essentieel voor iedereen, niet enkel leidinggevenden.

Het onderscheid van de twee boeken van de auteur (‘Risicoleiderschap’ en ‘Risicogestuurd werken in de praktijk’) ligt in zes punten:

  1. Een actuele risicodefinitie. Kort: risico is het effect van onzekerheid op doelen.
  2. Focus op iedereen: er zijn formele en informele leiders.
  3. Nieuw perspectief van risicoleiderschap, het afscheid van de risicomanager. Dit past beter bij de VUCA wereld.
  4. De mix van relevante en actuele aspecten van het vakgebied leiderschap en het vakgebied risicomanagement. Meestal komt in boeken over risicomanagement leiderschap helemaal niet aan bod.
  5. Meerdere invalshoeken: neuropsychologie, sociologie, filosofie, organisatiekunde, bestuurskunde, change management.
  6. Specifieke vaardigheden ontwikkelen als risicoleiderschap in een aanvullende leiderschapsvorm.

Hoofdstuk 1 gaat over de motivatie voor leiderschap. Het geeft een antwoord op de vraag waarom het tonen van risicoleiderschap zowel binnen als buiten organisaties, door bestuurders, managers, adviseurs en andere professionals, wellicht belangrijker is dan ooit.

Hoofdstuk 2 verkent wat risicoleiderschap zou kunnen zijn. Dit vanuit een diversiteit van invalshoeken zoals neuropsychologie, bestuurskunde, organisatiekunde en filosofie.

Hoofdstuk 3 gaat over hoe risicoleiderschap zou kunnen werken. Wat moet je kunnen én durven? Het gaat over twintig vaardigheden die allemaal helpen. Uitgangspunt zijn de twintig kenmerken van risicogestuurd werken. Per vaardigheid zijn vijf specifieke aandachtspunten gekoppeld.

Een belangrijke tip van de auteur is deze 20 vaardigheden niet allemaal ineens te willen kunnen toepassen, maar om er per klein aantal mee aan de slag te gaan.

Hoofdstuk 4 gaat over twee tools en een samenvatting van risicoleiderschap in zes praktische tips. Deze tools zijn de risicocarrousel en de risicogestuurd moreel beraad.