Opportuniteitenstatements en -identificatie en Covid-19

Auteur: Manu Steens

Iedereen die zichzelf ernstig neemt qua risicomanagement weet dat de definitie van risico volgens ISO ongeveer neerkomt op een oorzaak die aanleiding geeft tot een onzekerheid op het halen van doelstellingen. Die onzekerheid kan de facto een positief effect hebben, zodat de doelstellingen gehaald worden en meer, of een negatief effect hebben, namelijk dat de doelstellingen niet gehaald worden of erger.

Een risico is dan schrijfbaar als een risico-statement, dat bestaat uit een oorzaak, het feitelijke risico en het uiteindelijke effect. Dit volstaat als een-op-een oorzaak tot gevolg-statement om onze redenering te volgen, hoewel echte risico’s via risicostatements aanleiding kunnen geven tot veel-op-een, een-op-veel of veel-op-veel statements.

Het hebben van een negatief effect is te wijten aan bedreigingen, het hebben van een positief effect is te wijten aan opportuniteiten.

Vermits een risico, ondanks de ISO-definitie, door de meeste mensen gelinkt worden aan bedreigingen, eerder dan aan opportuniteiten, kunnen we om ons te focussen gebruik maken van metataal.

Metataal in deze zijn ‘sjablonen’ waarin risico statements, dus ook opportuniteiten-statements, kunnen gevat worden.

Deze is, op basis van het principe van een risicostatement:

  • “Als een resultaat van , kan optreden, wat kan leiden tot .”

En voor opportuniteiten wordt dit op basis van SWOT dan:

  • “Omdat we beschikken over , kunnen we creëren of uitbuiten, wat zou leiden tot .”
  • “Indien we een verwijderen of aanpassen tot , waardoor we misschien kunnen creëren of uitbuiten, zou dit kunnen leiden tot .”

Als we dit toepassen op de Europese situatie i.v.m. Covid-19 krijgen we bijvoorbeeld uitspraken als:

  • Door een beleidscultuur die een kordate reactie mogelijk maakt, kunnen we een nieuwe opflakkering van het virus beperken, of wat de ontwikkeling van een geschikt virusvaccin meer tijd geeft en dus meer kans op slagen.
  • Als we het aantal menselijke contacten kunnen beperken op het werk, op het openbaar vervoer en in openbare ruimtes en in de mate van het realistische ook in het privé leven en bij allerlei evenementen, kunnen we misschien het virus voldoende terugdringen wat kans geeft op het werken aan economisch herstel.
  • Als globale expansie van menselijke activiteiten op een intelligente manier aan banden wordt gelegd, waardoor de pandemierisico’s in de toekomst kunnen verminderen, de biodiversiteit kan stabiliseren, het natuurlijk evenwicht kan herstellen, mensen minder in contact komen met wilde dieren die niet meer uit hun habitat verdreven worden zodat nieuwe pathogenen niet meer overgedragen worden, de overdracht internationaal kan afnemen, zal de burger in de toekomst vergevingsgezind en verdraagzaam zijn ten aanzien van een fout in het beleid.
  • Als er gebruik gemaakt wordt van heldere communicatie, de juiste experten gehoord worden, en transparantie over de relatie tussen oorzaak en gevolg gemaakt wordt, kan het meest doortastende beleid bespreekbaar worden op open fora, waardoor een zicht komt op nodige en misschien voldoende hervormingen om een duurzaam herstel te ondersteunen.
  • Met deze premisse, kan er eventueel werk gemaakt worden van nieuwe en betere instituties, met een verbeterde basisinfrastructuur, een betere regulering van de belangrijkste economische sectoren en investeringen in collectieve voorzieningen die menselijk kapitaal creëren en beschermen, en renderen op lange termijn, niet op korte termijn, wat de economie en de wereld van de toekomst vorm kan geven. Bijvoorbeeld door als gevolg van een open debat zonder group-think of tunnel-zicht te kiezen voor koolstofarme basisinfrastructuur, die groei mogelijk maakt voor nieuwe ontwikkelingen, maar wat ook een antwoord kan geven aan klimaatuitdagingen.
  • Door het organiseren van flexibele technologie in Europa, en het aanleggen van strategische voorraden van grondstoffen kan men snel schakelen tussen gebruikelijke productie en de productie van noodzakelijke goederen ten tijde van een pandemie (bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen), waardoor Europa minder afhankelijk kan worden van Azië, en waardoor ook testen van dergelijke systematiek mogelijk wordt in samenwerking met de reguliere afnemers (bijvoorbeeld ziekenhuizen, rusthuizen,…).

Risicomanagement strikt genomen – succesfactoren van draagvlak

Auteur: Manu Steens

Een organisatiestructuur, een decreet of wet, (een) (sommige) maatregel(s), … om te kunnen lukken moeten ze gedragen zijn. Om gedragen te worden moeten ze (h)erkend worden. (Ik heb nog geen criterium om te zeggen in welke gevallen dit model allemaal van toepassing is, daarvoor zou een studie moeten gebeuren van geslaagde en gefaalde zaken in hindsight.)

Erkenning op zich nu echter, steunt volgens mij op vier succesfactoren:

  • legitimiteit,
  • samenhang van de doelgroep door nabijheid bij hun medewerkers van het issue,
  • doeltreffendheid met doelgerichtheid en doorzettingsvermogen,
  • gezag.

Deze vier pijlers hangen onderling samen. Als je er een poot van de tafel onderuithaalt gaan de andere deels mee en valt de tafel om. Je mag ze dus in feite niet als onafhankelijk zien. Voor het gemak van de verdere bespreking doe ik dat hier toch.

Een zaak die duidelijk gedragen lijkt te zijn is de EU regelgeving van de GDPR. Iets wat niet gedragen lijkt te zijn is de Brexit. Laten we daarom deze twee zaken eens illustreren aan dit idee.

Succesfactoren van draagvlak toegepast op de GDPR.

  • Legitimiteit: De wetgeving van de GDPR werd opgelegd door de EU en geldt voor alle EU landen ter implementatie
  • Samenhang van de doelgroep door nabijheid: De landen van de EU hangen samen, doordat ze in een verband zitten in de EU, maar ook door het feit dat de landen vrij verkeer van personen hebben, waardoor ze ondanks reizen in de EU kunnen genieten van soortgelijke wetgeving. Tevens is voor het grootste deel de EU een samenhangend geheel, waardoor de landen samenhangen voor wat betreft als een blok achter de wetgeving staan. De nabijheid wordt wellicht het best geïllustreerd door het feit dat de burgers van de EU de wetgeving herkend hebben als iets dat hen heel erg aan gaat. Het hoorde de burger zeer snel toe.
  • Doeltreffendheid: Er is een waarachtige barnum reclame gevoerd voor de GDPR, waarbij er geduid werd op het feit dat deze wetgeving voor de burger geldt. Deze was zo effectief dat de mensen van de EU en de organisaties doordrongen zijn van hun rechten, en er zelfs op zeer korte termijn een jobcreatie uit voort kwam: bijv. juristen gespecialiseerd in de GDPR, maar ook DPO’s, cursussen,…
  • Gezag: Er werd in de wetgeving zelf ook een plaats voorzien voor strafmaatregelen bij niet-toepassing van de wet door de organisaties in de EU. Ook auditmogelijkheden werden voorzien. Mede door deze stokken achter de deur schoten veel organisaties in gang, en was het besef groot “om er iets aan te doen”.

Conclusie: door de barnumreclame werd deze wetgeving sterk gefundeerd in deze vier succesfactoren, waardoor deze eigenlijk alleen maar kon lukken.

Succesfactoren van draagvlak toegepast op de Brexit.

  • Legitimiteit: Die is er gekomen door een onduidelijk referendum met een meerderheid “achter de komma”. Er is totale verdeeldheid binnen en over de partijen heen en binnen de burgerij. De Britse premier stond daardoor volledig in een spagaat van onduidelijkheid. Geen enkel van de voorstellen van de EU noch van de Britten zelf werd aanvaard door een duidelijke meerderheid.
  • Samenhang: De Britten zijn verdeeld. De voor- en tegenstemmen zijn netjes verdeeld en zonder een duidelijke samenhang. Vele mensen hechten samen met hun politiek veel belang aan hun soevereiniteit. Anderen kiezen voor de mogelijkheden die een samenhangend Europa samen met de Britten er bij zou kunnen betekenen. De samenhang is zoek. De verdeeldheid is tot op het granulaire niveau van de bevolking.
  • Doeltreffendheid: Door een hoop onduidelijkheden werden alle voorstellen op een redelijke manier van Brexit afgewezen. Daardoor wordt er regelmatig uitgesteld. Daardoor is het onduidelijk hoe, of en wanneer de Brexit een feit zal zijn.
  • Gezag: De Brexit zou afhankelijk van dag tot dag bij een nieuw referendum anders kunnen uitdraaien. Ook heerst er een verschil in mening tussen bijv. de Schotten en de rest van de Britten. Daarnaast stellen de Britten regelmatig de historische woorden van Churchill dat “GB met de EU is maar niet van de EU”.

Conclusie: De Brexit is geen succes te noemen.

Onzekerheid – over leven in de risicomaatschappij

Auteur: Dirk Geldof

Van dit boek kreeg ik toevallig de eerste druk uit 2008 in handen. Dit kan dus eventueel verschillen inhouden t.a.v. latere drukken. Ik vertrouw er echter op dat dit niet nefast zal zijn voor deze boekrecensie.

In de inleiding stelt de auteur dat onze wereld steeds sneller verandert. Wat gisteren nog evident leek, is het vandaag niet meer. Wie meesurft op die golven van verandering merkt de voortdurende versnelling amper. Enkel wie wat afstand neemt, ziet de snelheid. Vaak betekenen veranderingen verbeteringen, niet in het minst technologisch. Toch is lang niet elke verandering een verbetering.

Met die woorden begint het boek. Het is dus niet verwonderlijk dat mensen te midden die snelheid aan veranderingen zich onzeker voelen.

Met dit boek wil de auteur een kader aanreiken om de snel veranderende samenleving (beter) te (blijven) begrijpen. Om dit te kunnen schrijft de auteur dit kader uit in negen hoofdstukken. Welke lessen zijn er bijgebleven?

Hoofdstuk 1: Een wereld van onzekerheid

  • We leven in een paradoxale wereld: nooit was er zoveel (on)zekerheid.
  • De wereld evolueert razendsnel en verandering is de norm.
  • Mensen willen steeds meer risico’s vermijden.
  • Onzekerheid is uitdagend maar ook psychisch belastend.
  • We evolueren van een solide moderniteit naar een versplinterde moderniteit: men moet steeds flexibeler zijn.
  • Groeiende scheiding tussen macht en politiek: beschermende kaders vallen weg.
  • Economie als macht maakt onzeker.
  • Competitie wordt hipper dan solidariteit.
  • Er wordt minder gedacht, gepland, en gehandeld op lange termijn.
  • Mensen moeten meer op zichzelf leren omgaan met risico’s. Individualisering is een probleem.
  • Leven in de 21ste eeuw is inspelen op verandering en omgaan met onzekerheid. Wat gisteren evident was, is vandaag achterhaald.

Hoofdstuk 2: De wereld als mondiale risicomaatschappij

  • Actualiteitsdruk zorgt voor voortdurende verandering.
  • We moeten afstand nemen van onze normale gefragmenteerde manier van kijken om het grotere verhaal te zien.
  • Het idee van een risicomaatschappij is dat we op alle maatschappelijke domeinen met risico’s worden geconfronteerd. Ecologische risico’s zijn daarbij zeer belangrijk.
  • Risicomaatschappijen zijn “die samenlevingen die worden geconfronteerd met de uitdagingen als gevolg van de zelf gecreëerde – en eerst verborgen – mogelijkheid om al het leven op aarde te vernietigen.
  • Zowel als samenleving als in de privésfeer is men steeds meer bezig met het leren omgaan met risico’s. Het gaat nu om méér en àndere risico’s dan vroeger.
    • Technische risico’s zijn uitvergroot.
    • Klimaatopwarming is meer dan een issue.
  • Onzekerheid wordt nu meer door mensen geproduceerd.
  • Het gaat niet alleen om objectieve verschillen tussen zekerheid vroeger en nu, maar ook om de subjectieve ervaring er van.
  • Er is een strijd om de verdeling van de risico’s, en die wordt dominanter. Maar: rijkdom kan hiërarchisch zijn, maar smog is democratisch: iedereen wordt er door getroffen.
  • Wetenschap en technologie verliezen hun gezag, en spreken elkaar in crisissen soms tegen.
  • In de overgang naar de mondiale risicomaatschappij worden risico’s soms ook onverzekerbaar, zoals kernrampen en terreuraanslagen. We kennen altijd het begin van de ramp, maar zelden of nooit het einde.
  • Risico’s worden ook steeds mondialer. De impact van een financiële of ecologische crisis is /zal wereldwijd zijn. Ook de angst daarbij is wereldwijd.
  • Maar de focus op risico’s is tevens de aanzet om er iets aan te doen.

Hoofdstuk 3: Ecologische risico’s steeds centraler

  • Ecologische risico’s waren in 2008 een recente kwestie.
  • Duurzaamheid is een sleutelwoord in de risicomaatschappij.
  • Klimaatopwarming is hét hot issue, het situeert zich overal ter wereld en nog is het onderbelicht.
  • Er zijn drie grote groepen van globale ecologische risico’s:
    • die voortkomen uit rijkdom, (bijv. zure regen)
    • die voortkomen uit armoede, (bijv. platbranden van wouden voor landbouw)
    • die voortkomen uit nucleaire, biologische en chemische wapens (en klassieke oorlogsvoering).
  • Gevaren daarbij zijn verschillend van vroeger om twee redenen:
    • de impact gaat verder bij nucleaire en chemische of genetische processen,
    • we gaan vaker over de grenzen heen van wat de natuur kan herstellen.
  • We moeten opnieuw leren omgaan met niet-weten. Alles weten en kennen is niet het pad naar de oplossing, is ook niet meer mogelijk. Daarbij kan het voorzorgsprincipe ons helpen.

Hoofdstuk 4: Globalisering en sociaaleconomische risico’s

  • Een job voor het leven kan niet meer met zekerheid gesteld worden. Maar voor velen is dit ook geen ideaal beeld meer. Het risico op armoede is hier aan gelinkt, maar net zo goed het risico op burn-out.
  • De markten staan centraler is de wereld, het belang van natiestaten brokkelt af. Of toch niet?
  • Grenzen aan ruimte en tijd vervagen. Door het internet, en doordat sommige steden reeds 24h per dag bruisen van leven. Productie gebeurt haast de klok rond.
  • Migranten van nu kunnen op elk moment contact onderhouden met hun familie via GSM en internet. Op die manier leven ze in twee werelden.
  • De arbeidsmarkt komt onder druk te staan van de globalisering. De eerste veranderingen waren na de tweede wereldoorlog en het toenmalige tekort aan arbeidskrachten.
  • De werkende mens moet steeds flexibeler omgaan met de relatie privé – werk. De vraag is maar hoeveel rek daar op zit. Onder andere daardoor ontstond structurele werkloosheid.
  • Werkloosheid is een probleem op meerdere manieren:
    • m.b.t. het inkomen,
    • m.b.t. integratie (niet alleen van migranten maar ook van autochtonen in de maatschappij),
    • m.b.t. de financiering van de sociale zekerheid,
    • m.b.t. verdeling van hoeveelheid arbeid, ongelijke lonen, macht, aanzien, zelfrealisatie en tijd(sinvulling).
  • Ook armoede en sociale uitsluiting vormen belangrijke sociaal-economische risico’s.
  • Met loonarbeid centraal en een stijgende job onzekerheid volgt er een groeiend risico op burn-outs en depressies en andere gezondheidsklachten. We beschouwen daarbij de door onszelf gecreëerde economische systeem als een externe druk.

Hoofdstuk 5: Individualisering en onzekere vrijheid

  • De individuele vrijheid is enorm. Mensen kunnen hun eigen boek schrijven. Maar daarmee komen onzekerheden: welke keuzes moeten we maken? Dat staat niet in dat boek tot ze gemaakt zijn. Daarmee doen ze ook aan zelfrealisatie.
  • Mensen werden al in het begin van de 20ste eeuw onafhankelijker van de (lokale) gemeenschap, familie en vrienden. Mensen kiezen nu zelf meer tot welke groep ze behoren.
  • a. daardoor stijgt de vraag naar de zin en de kwaliteit van het leven. Dit overstijgt de onmiddellijke bestaanszekerheid.
  • Relaties worden dan ook brozer. Het huwelijk is vaak niet meer tot de dood u scheidt. Best forever friends zijn niet forever. De kans om alleen te staan te komen wordt realistischer. Maar er ontstaan ook nieuwe ontmoetingsvormen: relatiebureau’s, relatietherapie, dating-websites,…
  • Zelfrealisatie ontplooit zich ook in belangrijke mate in de arbeidswereld on the job. Broze relaties maken jobzekerheid crucialer. Flexibiliteitsvereisten werken voor die broze relaties niet bepaald mee.
  • De effecten van de individualisering op kinderen is groot. Zelfs op de beslissing om kinderen te hebben. Het is nu meer dan ooit een controleerbare, planbare en bewuste beslissing.
  • Elke keuze in relatie tot het bovenstaande in dit hoofdstuk houdt een bijhorend individualiseringsrisico in, omdat elke keuze de verkeerde kan zijn. En het feit dat ze ons en anderen kunnen confronteren.
  • Enkele kanttekeningen zijn
    • Individualisering en ongelijkheid: niet iedereen in de maatschappij heeft een echt vrije keuze om een levensproject uit te bouwen, om zijn eigen boek te schrijven.
    • De samenleving is meer dan de optelsom van individuen en families. Er is nood aan sociaal cement. Dat dreigt te verdwijnen. Verder wil iedereen de vrije keuze, maar kiezen de meesten voor hetzelfde.
    • De macht om zelf te kiezen is tegenwoordig veelal belangrijker dan het volgen van stramienen en tradities. De kerk bijv. heeft haar macht verloren. Veel ouders ook.
    • Het is duidelijk dat migranten anders staan tegenover de individualiseringsprocessen in West-Europa.

Dit levert spanningen op.

Hoofdstuk 6: Tijdsrisico’s in een versnellende samenleving

  • De economische en technologische veranderingen zorgen voor groeiende tijdsdruk. Daarbij treden persoonlijke en maatschappelijke tijdsproblemen op. Omgang met tijd is immers een van de domeinen waarop de individualisering het sterkst tot uiting komt. O.a. daarbij treden drie tijdsparadoxen op:
    • Onze gemiddelde arbeidstijd was nooit korter, maar onze tijdsdruk nooit zo hoog. We stampen elk vrij moment vol met tijdsbestedingen op een overvolle rollercoaster. Ook al noemen we dat dan onze “vrije tijd”, en dat van de huisgenoten. De druk op de vrouw in de relatie ligt daar beduidend hoog.
    • Het toenemend gevoel van tekort aan tijd gaat gepaard met een versnelling van alles wat we doen. We plannen onze tijd steeds meer. Hoe meer tijd we winnen, hoe minder we er lijken over te houden.
    • Materieel hebben we het heel goed, maar we nemen / hebben de tijd niet om er van te genieten.
  • Onthaasting lijkt dan een oplossing voor de tijdsparadoxen.

Hoofdstuk 7: Migratierisico’s in onze kosmopolitische steden

  • Migratie is wel van alle tijden, maar de impact ervan is nooit zo groot geweest als recent. Globalisering lokt ook migratiestromen uit. Risico’s daarvan staan hoog op de agenda. Zowel voor de samenleving waar de migranten terecht komen, als voor de migranten zelf. Vragen daarbij zijn:
    • Wie is er allochtoon, wie migrant?
    • Hoe lang blijf je dat?
    • Wat is integratie nu precies?
    • Waarom migreert wie?
    • Wat is het verschil tussen een migrant en een vluchteling?
    • Is het migratieproces noodzakelijk een vervreemdingsproces?
  • Naast het risico van slechte integratie, blijft het risico van achterstelling en discriminatie.
  • Doordat we met een verouderde bril kijken naar de verandering in de steden, blijven we vaak ook denken in verouderde, stereotiepe beelden, aan beide kanten. Dit levert wij/zij tegenstellingen in de hand. Daardoor herkennen we de ambivalentie en complexiteit van de realiteit niet. Dit levert voedingsbodem voor té eenvoudige zogenaamde extreme oplossingen (zonder een holistische blik op de problematiek) en voor polarisatie aan beide zijden.
  • Of/of denken dat het eigene van het vreemde afgrenst moet vervangen worden door en/en denken.
  • Steden zijn steeds ‘transnationaler’. Met daarbij horende verwachtingen, ambities en tegenspraken. Het wordt dus niet eenvoudiger. Want migranten in onze steden brengen hun familie ook binnen via hun contact over het internet en de GSM.
  • Niet iedereen is gekend in onze statistieken. De bevolkingscijfers zijn niet volledig gekend. Dit levert problemen van zwartwerk en armoede in de hand.
  • Het multiculturele beeld van braaf naast elkaar leven is achterhaald. Elk migratieproces gaat gepaard met conflicten over normen en waarden, over gewoonten, over gedragingen die tot irritatie leiden. Een van de fouten hierin is het idee van het houden van de eigen identiteit. Er moet o.a. erkenning zijn van het anders zijn, en van meervoudige identiteiten.
    • Integratie gaat naast het verwerven van vaardigheden, vooral over het deel uitmaken van een samenleving. Daarbij moeten tradities heroverwogen worden. Maar ook de samenleving moet de migranten willen laten deelnemen aan die maatschappij. Daar is kritisch zelfonderzoek aan beide kanten niet vreemd aan. Naast elkaar leven is dus geen optie in deze visie.

Hoofdstuk 8: Onzekerheid, reflexiviteit en moderniteit

  • Reflexiviteit als zelfbeschouwing is nodig op verschillende niveaus: het individu, de organisaties, de samenleving en globaal. Maar niet alleen over zichzelf, maar ook van en door de andere partij dient daartoe bijgedragen te worden. Eventueel kan het gezamenlijk.
  • Er bestaat het risico dat het individu beschuldigd wordt van zich te blijven blootstellen aan risico’s waar hij niet aan kan ontsnappen.
  • Met moderniteit verstaat de auteur de manier van leven en organisatie van de maatschappij die in Europa ontstond vanaf de 17de eeuw en die nadien een wereldwijde invloed en verspreiding heeft gekend.
  • Een van de resultaten van het hoofdstuk is dat ecologische risico’s ons zullen dwingen om de bestaande economie drastisch bij te sturen. Dit schreef de auteur in zijn eerste druk uit 2008. Vandaag de dag voelt dit steeds nijpender aan. Verouderde instituties en structurele beperkingen helpen daar niet aan. Dit moet zich ook politiek gaan vertalen.

Hoofdstuk 9: Uitdagingen in de mondiale risicomaatschappij

  • Dé uitdaging voor de 21ste eeuw is zonder twijfel de klimaatopwarming. Dit is van een geheel andere orde dan de milieuproblemen van de eerste generatie die eenvoudig oplosbaar waren.
  • Onze rijkdom in Europa is uitzonderlijk en mogelijk omdat er vijf miljard mensen het veel minder hebben. Een radicale bijsturing van het korte-termijn-winstbejag is nodig.
  • De sociale zekerheid in Europa en de sociale voorzieningen zijn een realisatie van het verleden die niet vanzelfsprekend is. Onze verzorgingsstaat staat onder druk. Steeds meer mensen leven langer, genieten langer van hun pensioen en doen meer beroep op gezondheidszorg, bijvoorbeeld. Maar ook steeds meer kennis van sociale risico’s zet steeds meer de solidariteit onder druk.
  • Individualiseringsprocessen zetten onze traditionele sociale relaties onder druk. Oppervlakkigheid is daarbij een risico. Dat vormt een uitdaging voor het sociaal kapitaal van de samenleving.
  • Er gebeurt een shift in wat we als samenleving prioritair vinden: onze levenskwaliteit. Maar door de huidige ontwikkelingen in de besproken domeinen in het boek, komt deze levenskwaliteit steeds meer onder druk te staan.
  • Door migratie en bevolkingsgroei zal de diversiteit in Europa verder toenemen. Daardoor zal men met pluriformiteit moeten leren leven. Dit loopt echter het risico op polarisatie.
  • We zullen anders moeten leren omgaan met kennis. Hoe moeten we leren leven met kennis over globale risico’s? De twee irrationele reacties die de auteur ziet zijn ontkenning en hysterie. Reflexieve modernisering kan daarentegen bouwen op wetenschap, ratio en kennis, en kan leren omgaan met grenzen, de onze, die van de medemens en die van de planeet enz.

 

Reradicaliseren – Ronselen voor een betere wereld

Auteur: Stijn Sieckelinck

In het boek spreekt de auteur over technieken om radicaliserende jongeren “aan te pakken”. “Aan te pakken” is wellicht reeds een verkeerde uitdrukking, omdat “deradicaliseren” niet werkt. Het boek bestaat dan ook uit samenhangende lessen eerder dan uit gescheiden hoofdstukken. Het is wellicht het best om een reeks citaten te geven uit het boek eerder dan te proberen het zomaar samen te vatten.

Les 1 staat in het teken van het vraagstuk rond identiteit. Aandacht voor de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit kan de politieke druk op jonge burgers doen afnemen. Radicalisering is niet zozeer een uiting van gebrek aan integratie maar van weerstand tegen integratie. Een weerstand die misschien ook wel ergens emancipatie verraadt. Want welk weldenkend mens laat zich zomaar vertellen wat hij mag denken?

Les 2 laat het bevrijdende potentieel zien van morele actie. Pas als we afstand nemen van het beeld van de radicaliserende jongere als dader of slachtoffer, kan een praxis van bevrijding worden ontwikkeld. Die is er bovenal op gericht om elk individu van spectator tot actor te doen groeien en zodoende te doen ervaren dat zijn of haar handelen ertoe doet.

Les 3 staat stil bij de rol van zingeving in de vorm van expliciete en impliciete religie ten aanzien van radicalisering. Het laat zien dat een herijking van zingevende praktijken in onze samenleving nodig is om spirituele noden van vele jongeren te ledigen. Zoals onze voorouders al wisten: bezint eer ge begint.

Les 4 bevat een oproep tot vreedzaam vechten. Politiek handelen veronderstelt strijdbaarheid. Door een focus op conflict leren aangaan i.p.v. harmonie bewaren bewijzen we jongeren in een gepolariseerde samenleving een grote dienst.

Les 5 gebuikt het trainingskamp als dubbelzinnig symbool om de noodzaak van moreel gezag en de transformatieve kracht van educatie te belichten. Als jongeren niet door volwassenen worden meegenomen in rites de passage, gaan ze hun eigen versies ontwikkelen. Dat loopt zelden goed af.

In het laatste hoofdstuk vermeldt de auteur dat een zwak punt van deradicalisering is dat het van buitenaf opgelegd wordt. Dit kan niet werken. Noch met militaire slagkracht, noch met heropvoeding, noch met “counter-narratives”. De “strijd” tegen extremisme moet van binnenuit gebeuren. Door “reradicalisering”, zoals zou o.a. kunnen ondersteund gebeuren in een “counter-environment” als antwoord op de “counter-narratives” van extremistische ronselaars tegen de westerse democratie. De auteur stelt echter ook “De eerlijkheid gebiedt me te vermelden dat we het directe verband tussen sociale programma’s en het voorkomen van terreur nauwelijks kunnen aantonen.”.

Exponential Organizations

Auteurs: Salim Ismail; Michael S. Malone; Yuri Van Geest

Sinds mensheugenis is de mensheid bezig met productiviteit. Productie voorzag de mensen van schaarse middelen die door hun schaarste veel waard waren/zijn. De laatste decenia is het internet fel op de voorgrond gekomen, en daarbij horend het begrip “Creative Destruction” en “disruptieve technologie”.  De grote bedrijven dachten 15 jaar geleden meestal nog over het internet als “iets dat een fenomeen is van de tijd”. Heden ten dagen, na een uitleg over exponentiële organisaties zien ze in dat het internet een fenomeen is dat het begin is van alles.

Maar wat zijn dat nu, die “Exponentiële organisaties”?

Het zijn doorgaans kleine organisaties die gebruik maken van de modernste technologie om nieuwe oplossingen te bedenken voor vragen uit de markt, waarvoor soms al oplossingen bestaan. Ze veroveren door de nieuwe toepassing de markt op zeer korte tijd, op een exponentiële manier. Voorbeelden hiervan zijn smartphones en tablets, die de fotografie en de papieren krantenwereld een ferme deuk gegeven hebben.

Het “leuke” van dit verschijnsel, is dat doordat technologie gemeenschappelijk goed geworden is, een puber in een garage een uitvinding kan doen die de wereld van een gigantische firma met duizenden werknemers op zijn kop kan zetten in zeer korte tijd.

Daarom is het belangrijk dat alle organisaties zichzelf omvormen tot exponentiële organisaties en zichzelf disruptief aanpakken. Want als ze het niet zelf doen, doet een ander het. Disruptie dus als middel om aan risicobeheer en business continuïteit te doen.

In het boek, dat het resultaat is van een studie van SU (Singularity University) geven de auteurs een aantal aandachtspunten mee. Deze worden gegeven door de mnemonics MTP, SCALE en IDEAS.

Heel belangrijk is daarbij dat in tegenstelling tot grote monolieten de kleine ExO’s zeer Lean en Mean georganiseerd zijn. Het boek gaat op dit laatste niet heel diep in, maar grote monolieten kunnen door samenwerking met bestaande ExO’s, of door ExO’s te creëren aan de grenzen van hun organisatie, ook profiteren van hun voordelen.